‘Dank je wel, Saakasjvili’

Vorige week deden de Georgiërs de gevechten in hun land nog af als zomerzotheid. Langzaam daagde het besef van oorlog. „We hebben verloren en vieren feest alsof we winnaar zijn.”

Tbilisi, vrijdag 15 augustus. Familie van Georgische soldaten zoeken de namen van hun dierbaren op de lijst van een ziekenhuis Foto AFP QUALITY REPEAT - Georgian displaced people ride in a car while fleeing an advancing column of Russian tanks from the town of Gori on August 13, 2008. Several dozen elite Georgian soldiers brought back from Iraq have set up a road block with armoured vehicles on the main road between the capital Tbilisi and the city Gori, an AFP photographer witnessed. The soldiers were recognisable by the uniforms and badges from their deployment in Iraq. Georgia recalled the soldiers from Iraq earlier this week to assist in the country's conflict with Russia over the breakaway region of South Ossetia. AFP PHOTO/ MARCO LONGARI AFP

Vrijdag 8 augustus

De vlucht van Moskou naar Tbilisi zit deze ochtend vol met Georgiërs die hun zomervakantie bij hun familie in hun geboorteland willen doorbrengen. Ze zijn loom en uitgelaten tegelijk, zoals alleen Georgiërs dat kunnen zijn. Niemand trekt zich iets aan van de berichten dat er aan de grens met Zuid-Ossetië zwaar wordt gevochten. „Ach, dat gebeurt ieder jaar in augustus”, zegt de bejaarde Nino. „Zo is het al sinds Zuid-Ossetië zich in 1992 van Georgië heeft afgescheiden.”

Drie uur later, op het vliegveld van Tbilisi, is van een oorlog ook niets te merken. Taxichauffeur Levan bagatelliseert de onrust aan de grens. „Oorlog?”, zegt hij. „Onzin, die komt er heus niet.”

We rijden de stad binnen. In de centrale Roestavelistraat hangt de sfeer van een tropisch Italië. De half ingestorte koopmanshuizen in de zijstraten herinneren eraan dat Tbilisi rond 1900 een internationaal handelscentrum was. Jonge paartjes flaneren langs het parlementsgebouw. Boerenvrouwtjes verkopen zakjes pijnboompitten. Alles wijst erop dat ik maandag naar de bergen kan vertrekken voor mijn geplande wandelvakantie van twee weken.

Nadat ik in mijn hotel heb ontdekt dat de computer van eigenaresse Mira op internet is aangesloten en behalve een backgammonspel ook een Wordprogramma bevat, kan ik het nieuws volgen en erover schrijven. De ontwikkelingen gaan snel, als een schietende kalasjnikov.

Het is oorlog, dat is duidelijk, ook al sluit Tbilisi zich ervoor af. De Georgische televisie bij de receptie laat beelden zien van raketbeschietingen aan de grens. De raketten gaan van rechts naar links, zodat de indruk wordt gewekt dat de Zuid-Ossetiërs de aanval op Georgië hebben geopend. In het hotelrestaurant huilt een van de twee oude kokkinnen.

„Het is verschrikkelijk”, zegt Mira. „Ik slik al sinds vanochtend kalmeringsmiddelen. Ik heb het aan mijn hart.” Haar man zit een eindje verderop aan tafel met twee vrienden en trekt zich niets van haar gejammer aan. Ze eten en drinken.

Op het Georgische ministerie van Buitenlandse Zaken is niemand beschikbaar voor commentaar. „Er is vanavond laat een persconferentie van de minister”, zegt een woordvoerster. Nog geen drie uur later wordt die bijeenkomst afgebeld.

Om erachter te komen wat er aan de hand is, bel ik mijn Georgische vriend Zaza Gatsjetsjiladze, de hoofdredacteur van de krant The Messenger. In het verleden was hij hoogleraar Engelse letterkunde aan de universiteit van Tbilisi, een Shakespearespecialist. Richard III, King Lear en Henry IV kent hij als geen ander. Vandaag zijn we bij de eerste akte van Mischa I.

Zaza weet de machtspolitiek van president Saakasjvili altijd genadeloos te fileren. Maar nu heeft hij al zijn kritiek in de prullenbak gegooid. „We moeten ons verenigen achter onze regering”, zegt hij met wanhoop in zijn stem. „Al onze meningsgeschillen doen er nu niet meer toe. Het enige wat telt is dat we de Russen terugslaan, die sinds afgelopen nacht ons land aanvallen. Ze willen ons straffen voor ons onafhankelijke gedrag.”

In de Gostavastraat discussiëren taxichauffeur Archi en straatboekhandelaar Zoerabi over de oorlog. Ze schenken me wijn in en delen hun gatsjapoeribrood met me. „Op de vrede”, zeggen ze geruststellend. „En op de vriendschap tussen Nederland en Georgië.”

Bij de Russische ambassade begint tegen elf uur ’s avonds een protestdemonstratie tegen de Russische inval. Duizenden jongeren zijn gehuld in Georgische vlaggen en zwaaien met waxinelichtjes naar de ramen van de verlaten Stalinkolos. Het hele volk lijkt achter Saakasjvili te staan. De agressor zit in het Kremlin, is hun boodschap. Ze houden spandoeken op die verwijzen naar de Russische invallen in Boedapest en Tsjechoslowakije.

Als ik in het Russisch aan hen vraag wat ze van hun president vinden, worden ze boos. „Ben je soms een spion?”, vraagt de 20-jarige Rezo met een gemene blik in zijn ogen. „En waarom doen jullie in Nederland niets voor ons? Jullie zijn toch zo’n goedgeorganiseerd land?”

Een jongen met een filmsterrenhoofd laat zijn reservistenpaspoort zien. Hij is trots dat hij morgen de oorlog ingaat. Het zijn naïeve taferelen uit 1914, toen de wereld even vergeten was dat je in een oorlog kon sterven.

Zaterdag

Deze ochtend toont het Russische krijgsgewoel zijn gemeenste gezicht. Op de staatstelevisie. Russische vliegtuigen bestoken Georgische stellingen: aan de kust en in het binnenland. Overal in het land lijkt gebombardeerd te worden. Op landkaarten worden de plaatsen gemarkeerd die aangevallen worden. Ministers houden toespraken waarin de aanvallen worden veroordeeld. Alleen op straat in Tbilisi gebeurt niets.

Maar in de loop van de dag kantelt ook daar de sfeer. Het plaatsvervangend hoofd van de OVSE-missie vertelt dat Saakasjvili met de oorlog is begonnen en op onverantwoorde wijze Tschingvali heeft gebombardeerd. Al zijn zware tanks en raketten zijn daarbij ingezet. Taxicauffeur Archi hoort me uit over mijn gesprekken. „Saakasjvili is een gek”, zegt hij terwijl hij met een hand tegen zijn voorhoofd slaat. „Hoe kan hij nou denken dat hij het van Poetin kan winnen? En nu gaan er tal van jonge jongens sterven. Hij leeft in een droomwereld.”

Op pleinen in de stad staan gele stadsbussen klaar om reservisten naar het front te brengen. De gezichten staan allesbehalve op vrolijk. Vaders en moeders wachten tot de bussen vertrekken. De oorlog kan tenslotte wreed zijn.

Zondag

Het oorlogsgeweld nadert Tbilisi. Om zes uur ’s ochtends schudt het hele hotel op zijn fundamenten door een raketaanval op een fabriek aan de rand van de stad. De Russen rukken steeds verder op. Maar niemand kan geloven dat de Russen het hele land willen bezetten.

De Nederlandse ambassadeur Onno Elderenbosch raadt alle Nederlanders aan Georgië zo snel mogelijk te verlaten, omdat de ontwikkelingen alle kanten op kunnen gaan. Veel expats zijn inmiddels bezig om alle beschikbare vervoermiddelen te huren en te vertrekken. Een exodus dreigt, met lange files aan de grens. Mijn vrouw is bang geworden en wil naar huis.

Met een auto is het een uur naar de Armeense grens. Voor ik vertrek, bel ik Zaza. Hij heeft geen tijd naar me toe te komen, want twee van zijn jonge verslaggevers zijn bij Tschingvali verdwenen. „Ik ben bang dat ze omgekomen zijn”, zegt hij bezorgd.

Bij de grens is het rustig. Het Armeense landschap lijkt op de Gorges du Tarn. Maar de dorpen zijn, anders dan in Georgië, armoedig en grauw. De mensen somber.

Op het vliegveld in de Armeense hoofdstad Jerevan wordt nog net niet gevochten om de laatste vliegtickets naar Moskou. Een paar Duitse vrouwen van begin dertig, die op Georgische ministeries werken, vertellen dat ze tijdelijk van hun ambassadeur het land uitmoeten.

Maandag

In de nacht van zondag op maandag vlieg ik terug naar Moskou. Op de Russische televisie probeer ik te volgen wat zich in Georgië afspeelt en wat de Russen van plan zijn. Maar de informatie is er net zo troebel als in Tbilisi. Alleen een Russische kwaliteitskrant als Kommersant geeft een evenwichtig beeld. De televisiekanalen zenden alleen beelden uit Zuid-Ossetië zelf uit. Over de Russische gevechtsacties op Georgisch grondgebied wordt met geen woord gerept. De Georgiërs zouden etnische zuiveringen in Tschingvali houden. Er zouden al tweeduizend doden zijn. Een Amerikaan die met een Zuid-Ossetische vrouw is getrouwd, roept zijn president op om zijn steun aan Saakasjvili te staken. Anderen roepen op om Saakasjvili voor het oorlogstribunaal in Den Haag te slepen. Het is het sein om terug te gaan naar Tbilisi, met een laptop dit keer en een fotograaf.

Dinsdag

Deze ochtend sta ik weer aan de Armeens-Georgische grens, na een race door de bergen in een gammele taxi. Op weg naar Tbilisi hoor ik dat de Nederlandse cameraman Stan Storimans bij de stad Gori is omgekomen bij een onverwachte aanval.

In Tbilisi is het nog altijd windstil. Op mijn laptop krijg ik om de minuut een mail van het Brusselse consultancybedrijf dat de belangen van de Georgische regering in het Westen behartigt. Zo blijf ik op de hoogte van de persconferenties, de telefonische interviews met Saakasjvili waarvoor je je kunt inschrijven en de gevechtshandelingen die zich overal afspelen zonder dat Tbilisi er ook maar iets van merkt.

Maar aan het eind van de middag neemt de Russische storm in de rest van het land ineens in kracht af, als aan de onderhandelingstafel een voorlopig bestand lijkt te zijn gesloten. Voor het parlement organiseert de regering een grote protestbijeenkomst waar tienduizenden Georgiërs hun president toejuichen. „Het heeft iets absurds”, zegt Archie. „We hebben verloren en vieren feest alsof we de grote winnaar zijn.”

’s Avonds zitten in de bar van het Marriott-hotel expats en journalisten aan het bier. Het is de wereld van Hemingway. Een Franse expat en zijn sigaren rokende Armeense vrouw die al jaren in Tbilisi wonen, verbazen zich tijdens de op de Georgische televisie uitgezonden persconferentie van de presidenten Saakasjvili en Sarkozy over de briljante pr van Saakasjvili. „Dankzij die pr weet hij zelfs nu nog een goede indruk te maken op het Westen”, zegt de Armeense. „Terwijl hij deze oorlog begonnen is.” Haar man komt bij haar staan: „U moest eens weten hoeveel Amerikanen en Engelsen er in Saakasjvili’s veiligheidsraad zitten. Je zou er bijna van gaan denken dat hij deze oorlog op hun initiatief is begonnen.”

Woensdag

Het bestand tussen Moskou en Tbilisi lijkt ’s ochtends een feit. Op de redactie van The Messenger kijkt een opgewonden Zaza met drie redacteuren op de televisie naar de halve finale judo in Peking. Het is Georgië tegen Rusland. Georgië wint en mag door naar de finale, waar de judoka goud haalt op Algerije. Maar het is alleen die halve finale die telt.

Een paar minuten later landt Zaza weer in de realiteit van Tbilisi. „Sinds gisteren weet ik wat er met mijn verslaggevers is gebeurd”, zegt hij somber. „Een van hen is omgekomen, de ander is zwaargewond aan een been en ligt in een Russisch ziekenhuis. Jongens van 22 jaar oud. Dank je wel, Saakasjvili.”

De hele dag worden we overspoeld met berichten over plundering in de door de Russen veroverde dorpen. De Zuid-Ossetische milities zouden op grote schaal huizen leeghalen, vrouwen verkrachten, etc. De Russen ontkennen dat zij deelnemen aan het overwinningsfeest.

De Georgiërs zijn nu weliswaar boos op Poetin, die hun land is binnengevallen, maar over ‘de Russen’ praten ze nog altijd met sympathie. „We hebben het tenslotte decennialang goed met hen kunnen vinden”, zei een soldatenmoeder me gisteren in een café. „Het zijn aardige jongens.”

Donderdag 14 augustus

De Russen zouden zich terugtrekken om plaats te maken voor Georgische politietroepen. Ook zouden de vluchtelingen weer terug mogen keren. Reden voor mij dus om de schade op te nemen. Ik sta op het punt om naar Gori te gaan. De taxichauffeur staat al klaar, als ik op de telex lees dat er opnieuw geschoten wordt en dat de Russische troepen helemaal niet van plan zijn weg te trekken. Ook zouden Tsjetsjeense soldaten nog altijd aan het plunderen zijn.

Op grond van het feit dat Gori vergeven is van irreguliere, plunderende Russische militairen en de Georgiërs aan de rand van de stad op een gegeven moment ook nog eens met geheven geweer tegenover de Russen stonden, heb ik de taxi laten gaan en ben ik in Tbilisi gebleven waar het nog altijd rustig is.

Lees het weblog van Michel Krielaars op nrc.nl/Moskou. De laatste alinea’s van dit artikel komen uit dit weblog.

    • Michel Krielaars