Citigroup is gewoon te groot

Citigroup, de grootste bank van de Verenigde Staten, is voor bestuurders moeilijk te besturen en voor toezichthouders moeilijk te controleren. De oplossing: opsplitsen.

Noem een schandaal, een bewijs van onvermogen of een ander probleem dat de financiële sector de afgelopen tien jaar parten heeft gespeeld, en de kans is groot dat Citigroup erbij betrokken is geweest.

Dat is een grote tegenvaller voor de aandeelhouders van de grootste bank van de Verenigde Staten en een van de redenen dat velen van hen het concern graag in kleinere eenheden zouden opdelen.

Maar het is ook een probleem voor de toezichthouders, die zich nu opnieuw het hoofd moeten breken over Citigroup – ditmaal over de miljardenverliezen van de bank, waardoor het concern gedwongen werd tientallen miljarden aan nieuw kapitaal binnen te halen.

De zorgen over de deskundigheid van het bestuur zijn niet bepaald weggenomen door de recente problemen van Citigroup met zogenoemde auction rate securities (obligaties waarvan de rente periodiek wordt vastgesteld middels een veiling), die er vorige week toe hebben geleid dat de bank ermee akkoord moest gaan voor 7,3 miljard dollar (5 miljard euro) van die effecten terug te kopen.

Citigroup is zeker niet de enige die dat moest doen, en het is ook zeker niet de bank die het grootste gevaar loopt, maar de omvang van het concern baart de toezichthouders wel de nodige zorgen.

Als gevolg daarvan komen de belangen van de toezichthouders en de aandeelhouders overeen als nooit tevoren. Beide partijen zouden moeten oproepen tot de opdeling van de gigant die in het leven werd geroepen door de fusie van de oude Citibank met een verzameling financiële bedrijven die de voormalige topman Sandy Weill bijeen had gebracht.

Een van de belangrijkste argumenten van de aandeelhouders voor het opsplitsen van Citigroup in haar samenstellende delen – de Amerikaanse en wereldwijde consumentendivisies en de divisies voor vermogensbeheer en zakenbankieren – is immers dat het concern te zeer is uitgedijd om nog effectief bestuurd te kunnen worden. Tot nu toe heeft nog niemand – ook de huidige topman Vikram Pandit en zeker zijn voorganger Chuck Prince niet – aangetoond in staat te zijn alles wat in deze onderneming gebeurt in de gaten te houden.

De toezichthouders zouden aarzelen om tussenbeide te komen en de bank te ondersteunen. Maar ze hebben wel laten zien – na de op zes na grootste Amerikaanse bank, Continental Illinois, in 1984 te hulp te zijn geschoten – niet zo snel bereid te zijn een bank van het formaat van Citigroup ten onder te laten gaan. Hierin zou de overtuiging kunnen doorklinken dat het beheren van een kleiner aantal grotere financiële instellingen een efficiëntere manier zou zijn om toezicht te houden op het banksysteem.

Deze doctrine van too big to fail (te groot om failliet te mogen gaan) bevordert mogelijk een risicocultuur die niet in toom wordt gehouden door de vrees dat de instelling de volle toorn van de markt zal moeten ondergaan als zij te ver gaat. Ook de werknemers zouden zich bemoedigd kunnen voelen door de omvang van Citigroup, in de overtuiging dat het concern verliezen kan dragen die kleinere concurrenten zich niet kunnen veroorloven.

Het is waar dat Citigroup niet de enige is geweest die is gestruikeld. Bijna alle zakenbanken op Wall Street liepen eind jaren negentig schade op door de bijna-ondergang van het hedgefonds Long Term Capital Management en de economische problemen in Azië. JPMorgan Chase kreeg het zwaar voor de kiezen door de fraudezaken bij Enron en WorldCom. En Citigroup is ook niet de enige bank die ter verantwoording is geroepen voor haar rol bij het in de watten leggen van het Italiaanse zuivelconcern Parmalat.

Hetzelfde verhaal gaat op voor de kredietcrisis. Wachovia is in moeilijkheden geraakt door zijn kernactiviteit, het verlenen van kredieten aan huiseigenaren. Bear Stearns zou van alle zakenbanken op Wall Street het meest deskundig moeten zijn geweest op het terrein van de hypotheekverstrekking, maar heeft de gevolgen van de kredietcrisis voor zijn activiteiten volledig verkeerd ingeschat, wat tot zijn ondergang leidde. En ook al is Merrill Lynch lang niet zo groot en hoeft de bank ook niet zo’n groot mondiaal retailnetwerk te beheren, het concern heeft de afgelopen twee jaren net zo veel fiasco’s beleefd als Citigroup.

Toch is Citigroup een geval apart. Het is niet alleen zo dat de bank sinds haar ontstaan bij vrijwel iedere plaag betrokken is geweest die de financiële sector heeft getroffen, ze lijkt zelfs dikwijls een leidende rol te hebben gespeeld. Denk maar aan het slecht gekozen moment waarop ex-topman Prince vorig jaar naar buiten kwam met zijn opmerking over „dansen tot de muziek stopt”.

De omvang en de complexiteit van Citigroup zijn misschien niet de enige zorg voor de aandeelhouders en de toezichthouders. Toch kunnen beide partijen nu wel de handen ineenslaan om de reus te ontmantelen. Kleinere bedrijven zijn zeker niet immuun voor problemen – kijk maar naar de voorgangers van Citigroup – maar kunnen wel makkelijker op het juiste spoor worden gezet.

© Breaking views. Vertaling Menno Grootveld

    • Rob Cox