Adrenaline in de sneeuw

Skiën bij Queenstown in Nieuw-Zeeland is tamelijk rustig en gemoedelijk. Je wordt aangesproken met ‘mate’ of ‘dude’. Maar après-ski kennen ze er niet.

Nederland is heel ver weg in Nieuw- Zeeland. Beide landen liggen op de aarde zelfs precies tegenover elkaar, wordt vaak beweerd: als je in Amsterdam een gat dwars door de aarde zou boren, kom je uiteindelijk ergens in Nieuw-Zeeland uit. Eén blik op een globe laat zien dat dit niet klopt, al scheelt het niet heel erg veel. Wat lengtegraden betreft ligt Nieuw-Zeeland aan de andere kant, maar het ligt iets minder zuidelijk op het zuidelijk halfrond dan Nederland noordelijk op het noordelijk halfrond. De zomers in Nieuw-Zeeland zijn dan ook warmer dan die in Nederland, en de winters milder.

Nederland haalt slechts de Nieuw-Zeelandse kranten als Theo van Gogh wordt vermoord. Wel staat het Amsterdamse weer er dagelijks in vermeld. Maar in de Nederlandse zomer zijn we niet meer geïnteresseerd als we een paar Nieuw-Zeelandse kranten krijgen aan boord van het vliegtuig dat ons van Singapore naar Christchurch, de hoofdstad van het Zuidereiland, brengt. We willen weten of het al een beetje wintert op het Zuidereiland. Want ons hoofddoel in Nieuw-Zeeland is: skiën.

The Press meldt dat het in Queenstown, de beste uitvalsbasis voor skiën in Nieuw-Zeeland (zie inzet), overdag 10 graden boven nul is. Niet koud genoeg voor sneeuw op de 2000 meter hoge toppen van de Nieuw-Zeelandse bergen, vrezen we.

Maar de Nieuw-Zeelander die naast ons in het vliegtuig zit, stelt ons gerust. „Maak je geen zorgen”, zegt de man, die een schapenboerderij tussen Queenstown en Dunedin heeft. „Ik heb zelden meegemaakt dat er niet genoeg sneeuw is gevallen om te skiën. En als er te weinig ligt, spuiten ze er kunstsneeuw bij.” De buurman krijgt gelijk. Vliegend van oost naar west over het Zuidereiland zien we dat de toppen van de bergen wit zijn. „En alle sneeuw die voor half juli valt, blijft tot oktober liggen”, verzekert hij.

Queenstown ligt zo’n vijfhonderd kilometer ten zuiden van Christchurch. Je kunt er naar toe vliegen, maar wie dat doet, mist een schitterende tocht door de Nieuw-Zeelandse vlaktes en bergen. Eerst voeren kaarsrechte wegen over de Canterbury Plains, waar tegenwoordig meer koeien dan schapen grazen. Koeien hebben meer en beter gras nodig dan schapen, en dus moeten de droge vlaktes nu worden geïrrigeerd. In het vlakke, ook in de winter bruine grasland duiken vreemde douches op wielen op, metalen stellages van soms een kilometer lang.

Steeds zijn vanaf de Canterbury Plains de bergen met besneeuwde toppen zichtbaar, die plotseling in het vlakke land omhoog rijzen. Daarachter ligt MacKenzieland, een ruige hoogvlakte met brede, ondiepe rivieren waar stoere Nieuw-Zeelandse mannen vissen of met hun four-wheel-drives doorheen scheuren. Dit is een van de gebieden waaraan Nieuw-Zeeland zijn reputatie van hét land van ongerepte natuur en woeste landschappen heeft te danken. Maar zelfs op deze rotsige vlakte heeft de mens onverbiddelijk zijn stempel gedrukt. Eigenlijk is het landschap nauwelijks minder gemaakt dan in Nederland: de aaibare, bruine grasvachten van de bergen zijn het gevolg van menselijk ingrijpen. Eens was vrijwel heel Nieuw-Zeeland met bomen bedekt, maar door de fanatieke houtkap van eerst de Maori’s en later de Europese immigranten is nu 90 procent van de Nieuw-Zeelandse bossen verdwenen. Ook is dwars door MacKenzieland een lang, kaarsrecht kanaal gegraven, met aan één zijde een indrukwekkend hoge dijk van een meter of vijftien. Het kanaal mondt uit in een ook al kunstmatig stuwmeer.

Queenstown afficheert zichzelf als de ‘wereldhoofdstad van de adrenaline’. Stadspromotoren beweren dat in Queenstown het bungy jumpen werd uitgevonden. Ook dit is niet helemaal waar. Op Vanuatu, een groep tropische eilanden ten oosten van Australië, is een val met een touw om de enkels van oudsher een van de rituele handelingen waarmee jongens hun mannelijkheid moesten bewijzen. Wel klopt het dat in de jaren tachtig een sprong van een brug met een elastiek om de enkels in Queenstown voor het eerst als toeristische attractie werd geëxploiteerd.

Nu bijna elke stad op de wereld een kraan heeft om vanaf te vallen, kan iemand in Queenstown de thrillogy doen, een serie van drie bungyjumps. Eerst maken de kopers van de thrillogy een sprong van 44 meter van de Kawathea brug, vervolgens vallen ze vanaf een kraan in de stad 47 meter omlaag om net niet te pletter te vallen op Queenstown en ten slotte mogen ze uit een gondel springen om 134 meter lager een nat pak in een rivier te halen.

Maar het is niet alleen de thrillogy waaraan Queenstown het predikaat hoofdstad van de spanning ontleent. Het wemelt in de stad van kantoortjes die woeste tochten over land en water en door de lucht aanbieden. Rafting (varen in een rubberboot op wilde rivieren), zorbing (rollen van een berg in een grote plastic bal), hanggliding (vliegen met een driehoekige vleugel), parapenten (vliegen met een soort parachute), parasailen (vliegen met een soort parachute die wordt getrokken door een speedboot) – ieder ongebruikelijk vervoer kan worden ervaren in Queenstown, ook ’s winters. Op elk moment van de dag zie je dan ook wel iemand boven de stad cirkelen of over het meer scheren.

Als de parapenters naar beneden kijken, zien ze wat tegenwoordig een ‘generic city’ heet. Ook in Queenstown heeft de globalisering huisgehouden. De stad is een boomtown, die dankzij de bloeiende toeristenindustrie de afgelopen twintig jaar in inwoneraantal is verdubbeld van 7.000 naar 14.000 en veel groter is dan dit aantal doet vermoeden. De toegangsweg naar de stad, ingeklemd tussen een steile berg en het Wakatipu-meer, is kilometerslang omzoomd door non-descripte motels en vakantiehuizen. Het centrum van Queenstown telt meer dan tweehonderd restaurants, waaronder fastfoodketens die je overal op de wereld tegenkomt. Net als de tientallen winkels met merkkleding zijn ze ondergebracht in karakterloze gebouwen die net zo goed in Milwaukee zouden kunnen staan.

Maar goede architectuur heeft Queenstown ook niet nodig. De magistrale omgeving, waarvan de Nieuw-Zeelandse regisseur Peter Jackson dankbaar gebruik maakte in zijn verfilming van Tolkiens Lord Of The Rings, geeft de stad genoeg eigens. Niet alleen doemt achter Queenstown een donkere muur van beboste bergen op, ook aan de overkant van het meer zijn ze te zien. Op stille winterochtenden schuiven er vaak vreemde wolkenslierten voor die lijken geschilderd door Bob Ross.

In de verte zijn de witte toppen van de hoge bergen zichtbaar. Maar de skipistes, ’s winters toch de belangrijkste attractie van Queenstown, zijn onzichtbaar. Die liggen achter de toppen en zijn alleen per bus en per auto bereikbaar. Het Cardrona-skigebied ligt op anderhalf uur rijden van Queenstown, de pistes in de bergen van de Remarkables of die op Mount Hutt op een half uur. Van alle drie de tochten is het laatste deel ongeschikt voor mensen met hoogtevrees. Ze voeren over steile, onverharde wegen zonder vangrails langs ijzingwekkend diepe ravijnen naar parkeerterreinen rondom gebouwencomplexen met restaurants, skiverhuur en andere faciliteiten.

Alle drie de skigebieden zijn ongeveer even groot, dat wil zeggen: lang niet zo groot als sommige uitgestrekte skigebieden in de Alpen. Toch zijn er afdalingen voor alle soorten skiërs, van steile bultenpistes voor degenen met veel ervaring tot brede skibanen voor beginners, zoals wij.

Skiën is natuurlijk skiën – heel anders dan in Europa, waar ik twintig jaar geleden voor het laatst skiede, is het in Nieuw-Zeeland allemaal niet. Alleen ligt er bij Nieuw-Zeelandse skipistes nooit een ‘gemütlich’ dorpje. Als om vier uur de skiliften sluiten, gaat iedereen in file de berg af, terug naar Queenstown. Après-ski kent Nieuw-Zeeland niet .

Toch is het skiën op de hellingen van de Remarkables rustiger en gemoedelijker dan twintig jaar geleden op de Franse en Zwitserse skipistes. Die werden in mijn herinnering altijd bevolkt door massa’s voordringende skiërs en chagrijnige liftbedienden. Maar de jongens en meisjes van de skiverhuur in Nieuw-Zeeland noemen je welgemutst ‘mate’ of ‘dude’ en vragen met oprechte belangstelling of je zeker weet dat je skischoenen lekker zitten.

Alleen de snowboarders, die twintig jaar geleden nog nauwelijks bestonden maar nu in groten getale de hellingen afdalen, zijn hinderlijk. Met hun boards maken ze buitengewoon harde schraapgeluiden die je telkens doen schrikken. Als ze maar een beetje remmen, maken ze een kabaal alsof ze met een uiterste krachtsinspanning een gevaarlijke botsing voorkomen. Ook doen ze graag gewaagde kunstjes op de schansen, richels en andere objecten die her en der zijn neergezet. Lang niet altijd houden ze hierbij rekening met de skiërs die zonder fratsen naar beneden willen.

Anderzijds zorgen de snowboarders met hun waaghalzerij ook voor veel vermaak. Door hun talrijke wonderlijke smakken op de richels en half pipes zijn de tochten in de stoeltjesliften naar boven nu minder saai. Vreemd genoeg krabbelen ze meestal lachend op en gaan ze rustig verder. Slechts één keer zagen we dat een snowboarder na een val doodstil bleef liggen in een onmogelijke positie. Twee EHBO’ers stonden over hem heen gebogen, maar durfden niets te doen met het roerloze lichaam. „Hier moet een dokter bij komen”, hoorden we een van hen zeggen.

Op veel medelijden van de skiërs hoefde de gewonde snowboarder niet te rekenen. Vermaak werd hier leedvermaak: we keken er even naar en, dachten ‘tja, dit hoort nu eenmaal bij de in Nieuw-Zeeland zo populaire ruige sporten’ en vervolgden onze weg naar beneden.

    • Bernard Hulsman