Wie in Gawsara van aanpakken weet, wordt niet blij

Sommigen zijn er minder arm dan anderen. In het Indiase dorp Gawsara komt de vooruitgang in kleine stapjes. Alleen onderwijs kan verlichting brengen, zeggen ze daar.

Illustratie Eliane Duvekot Duvekot, Eliane

Vandaag trouwt Chunman Kumari. Achttien is ze, zegt ze. En vanavond zal ze voor het eerst haar man zien. Die komt haar halen en zal haar, na een feestmaaltijd, meenemen naar zijn dorp, twintig kilometer verderop.

Chunman Kumari zwijgt. Ze kijkt ernstig, net als haar moeder en haar schoonzuster. „Ja, ze is gelukkig”, zegt haar oudere broer. „Hij is taxichauffeur en kan op eigen benen staan”, weet hij van zijn aanstaande zwager.

Het lot van Chunman Kumari ondergaat bijna elke jonge vrouw in Gawsara, een dorpje in de arme, oostelijke Indiase deelstaat Bihar. De dochters verdwijnen als ze gaan trouwen, hun plaats wordt ingenomen door de kersverse echtgenotes van de zonen.

Gawsara ligt verscholen tussen rijstvelden, palmbomen en meanderende waterstromen. Er wonen 2.300 tot 2.400 mensen, verdeeld over 400 gezinnen.

40 procent behoort, net als Chunman Kumari, tot een zogeheten ‘achtergestelde kaste’. Nog eens 40 procent is moslim. Die wonen aan het eind van de hoofdweg, een smalle klinkerweg die een paar kilometer lang door het dorp kronkelt en de verspreide buurtschapjes met elkaar verbindt.

De meeste kastelozen wonen halverwege. In het begin van het dorp slingert nog een draad langs de bomen. Twaalf gezinnen hebben daar stroom. Drie uur per dag. Maar hier staat alleen een betonnen paal langs het klinkerweggetje tegenover het huis van de 70-jarige Ram Nath Sahani. Zijn jongste zoon Vinay (36) wijst op een kastje. „We hebben een meterkast”, zegt hij spottend. „Maar we hebben geen stroom. Dit is Bihar. Wel een meterkast, maar geen elektriciteit.”

In Gawsara wonen de gemeenschappen naast elkaar. De lagere kasten bij de lagere, de onaanraakbaren bij de onaanraakbaren en de moslims bij de moslims. „Dat zal nooit veranderen”, zegt Vinay. Maar de traditionele barrières zijn wel vervaagd. „We bezoeken elkaars feesten. We overleggen met elkaar als dat nodig is”, zegt hij. „We leven in harmonie.”

Vinay’s kinderen hoeven niet ver te lopen naar de lagere school. Als ze schuin het klinkerweggetje oversteken, zijn ze er. Onder de schaduw van een eeuwenoude bodhiboom zitten meer dan 100 leerlingen in groepjes op de grond, hun leien voor zich. „Hier geldt geen onderscheid tussen kaste of geloof”, zegt hoofdmeester Muni Lal Roy (55). „Steeds meer ouders sturen hun kind naar school.” Maar als de oogsttijd aanbreekt, worden meer kinderen thuis gehouden, zegt hij ook.

Vinay’s oudere broer Sita Ram Sahani (50) bereidt alvast het middageten voor. Hij kookt elke dag. 100 gram rijst en 30 gram gele linzen per leerling. Tenminste: als de lokale functionarissen geld sturen. Regelmatig wordt er geld achtergehouden, en dan is er ook geen schoolmaaltijd.

Hoofdmeester Lal Roy zegt dat alleen scholing kans op goede banen kan bieden. Vakil Prashad (53), een leidersfiguur in het dorp, is het daar volstrekt mee eens. Zijn huis is een van de twaalf waar een peertje brandt. Hij heeft ook een televisie. En een motorfiets waarmee hij gisteren een lelijke smak heeft gemaakt. Vakil Prashad heeft toegestaan dat zijn jongste dochter van 21 naar Jalandhar in de noordelijke deelstaat Punjab is verhuisd om computerkunde te studeren. Weliswaar woont ze bij een oudere broer die daar in een textielfabriek werkt, maar toch: de jongste dochter van Vakil Prashad is het eerste meisje dat zelfstandig uit Gawsara is vertrokken.

„Vroeger zou er schande over zijn gesproken. Maar tegenwoordig is er begrip”, zegt Vakil Prashad met zijn middelvinger in het verband. Een paar huizen verderop zitten dertien oudere meisjes op een veranda. De meesten hebben maar een paar jaar op de lagere school gezeten. Sinds dit voorjaar krijgen ze aparte lessen van een particuliere organisatie. De gegroeide belangstelling voor onderwijs noemt Vakil Prashad een van de belangrijkste ontwikkelingen in zijn dorp. „Alleen scholing kan verlichting brengen. Dan komen er misschien echte veranderingen.”

In Gawsara is niemand rijk. Dat hebben de lagere kasten, de kastelozen en de moslims in het dorp gemeen. 80 procent van de dorpelingen is erg arm, ook naar Indiase begrippen.

De grootste landeigenaar van het dorp bezit twaalf acre, nog geen vijf hectare. Daarop oogst hij in het voorjaar tarwe en in het najaar rijst. De meeste boeren hebben een halve tot anderhalve hectare, en een koe, een waterbuffel of een os. Dagloners zonder eigen grond, zoals Vinay Sahani, zijn afhankelijk van het werk dat ze van anderen krijgen aangeboden.

Nog een wetmatigheid: vier van de tien mannen hebben hun gezinnen in het dorp achtergelaten bij broers of ouders om zelf elders werk te zoeken. Ze zijn taxichauffeur in Kolkata of Mumbai, ze werken in de bouw in New Delhi of Ludhiana of ze werken in een textielfabriek in Jalandhar, zoals de oudste zoon van Vakil Prashad die ook zijn dochter liet gaan. De migrantenarbeiders leven zuinig en sturen het zorgvuldig opgespaarde geld naar huis. Daarvan kunnen de achterblijvers net rondkomen, zeggen ze. Voor de meesten blijft er niets van over om weg te zetten.

De 65-jarige Asharfi Rai ligt lui op zijn touwtjesbed en kijkt toe hoe zijn zoon Anil (32) een greppeltje graaft om het water bij de pomp op zijn erf weg te laten stromen. Anil (getrouwd, vier kinderen) is naar huis gekomen om rijst aan te planten, overmorgen gaat hij terug naar de deelstaat Himachal Pradesh. Als zakkenvuller in een cementfabriek verdient hij 2.200 rupees per maand (35 euro). 1.000 rupees stuurt hij naar huis.

„Zo kan ik net mijn gezin voeden en mijn kinderen naar school sturen”, zegt Anil. Hij heeft nooit overwogen zijn gezin mee te nemen om in Himachal Pradesh een nieuw bestaan op te bouwen. „Dat zou niet kunnen van mijn salaris. Dan zou ik helemaal geen geld overhouden om mijn gezin te eten te geven”, zegt hij.

Zo blijft Gawsara de ongeschoolde dorpelingen in zijn greep houden. Vrijwel niemand ziet kansen elders een bestaan op te bouwen. Of om te sparen. En in een dorp waar niemand rijk is, staan ook geen mooie huizen. Sommige huizen hebben een betonnen vloer en muren van baksteen. Maar de meeste zijn opgetrokken uit hout, bamboe en riet.

De huizen met de stenen muren laten zien dat sommige bewoners iets minder arm zijn dan anderen. Maar niet altijd. De 70-jarige Ram Nath Sahani heeft 25.000 rupees van de regering gekregen voor een nieuw huis omdat hij juist zo arm is. In de categorie ‘Beneden de Armoedegrens’ zitten hij, zijn zoon Vinay en de andere familieleden in de laagste schijf. Een paar jaar geleden is met de bouw begonnen. De fundering is gestort, de meeste muren staan overeind. Maar nu is het geld op, en er is nog geen dak. Ook geen ramen en deuren trouwens. „Hoe moet dat nu?” vraagt Ram Nath zich af.

Voor Vinay Sahani is er vandaag geen werk. Hij heeft een klein stukje grond gepacht, de oogst zal hij straks in het najaar delen met de eigenaar. Maar nu heeft hij tijd voor iets nieuws. Een paar dagen geleden heeft hij twee manden vol met jonge kippen gekocht voor de leg. Die gaat hij nu proberen aan de man te brengen in een naburig dorp.

„Als ik ze allemaal verkoop, verdien ik 60 rupees ”, zegt hij, terwijl hij op zijn fiets stapt.

Als er vooruitgang komt in Gawsara, komt die in kleine stapjes. Maar Muni Lal Sahant (55), vader van drie zonen en zes dochters, weet van aanpakken. Ook hij bouwt een huis. Hij sloot een lening van 150.000 rupees. Hij en zijn oudste zoon huren een vrachtwagen en rijden daarmee tot in de verre omtrek om veevoer op te kopen. Als de laadbak vol is, verkopen ze hun handel met winst op de grote agrarische markt van Samastipur, 80 kilometer verderop. „Ja, ja, de zaken gaan wel goed”, mompelt Muni Lal Sahant.

De hele buurt luistert nieuwsgierig mee. Hij heeft ook geprobeerd geld te krijgen van de regering om zijn huis te bouwen. Maar hij kreeg nul op het rekest. Twee maanden geleden kreeg hij zelfs te horen dat hij niet langer terecht kan in de speciale voedselwinkels voor armen. Hij behoort niet langer tot de categorie van sappelaars onder de armoedegrens.

Muni Lal Sahant kijkt verbaasd op. „Blij?” reageert hij ontdaan. „Ik was helemaal niet blij. Ik heb gefoeterd”, zegt hij.

Voor de vorige afleveringen van deze zomerserie over de economie van het dorp zie nrc.nl/economie

    • Wim Brummelman