Wat Stravinsky hoorde

Het Festival Oude Muziek in Utrecht opent met de ‘oerversie’ van Stravinsky’s Sacre du printemps – bij uitstek een werk van de moderne tijd.

Wanneer begon de twintigste eeuw? In de muziekgeschiedenis steekt één ‘omslagmoment’ met kop en schouders boven de andere uit. Dat was de première, op 29 mei 1913, van het ballet Le sacre du printemps (‘Lentewijding’) in het Théâtre des Champs-Elysées in Parijs. Het werd een van de beroemdste rellen uit de concertgeschiedenis. Choreograaf Vaslav Nijinsky en componist Igor Stravinsky riepen daarin een primitief, quasi-Russisch oerritueel op – de ondertitel luidde: ‘tableaus uit heidens Rusland’ – met asymmetrische en hoekige ritmes, rauwe ritmische energie en een jong meisje dat zich aan het eind van de voorstelling dooddanst.

De Sacre werd een beroemd en populair icoon van de moderne muziek, dat ook na bijna honderd jaar nog vaak wordt uigevoerd in concertseries met hedendaagse werken. Wat doet zo’n bij uitstek modern werk dan op een ‘Festival Oude Muziek’, dat dit jaar ermee opent? Ook hedendaagse symfonieorkesten vinden de Sacre tot hún ‘domein’ behoren: het werk is overal ter wereld standaardrepertoire. Sterdirigenten zijn altijd bereid om indruk te maken met een uitvoering – de één gestroomlijnd, flitsend en spectaculair, de ander juist dreigend en mysterieus.

Tijdens de opening van het Festival Oude Muziek op 29 augustus voert de Kölner Akademie de Sacre du printemps uit (alleen de muziek, niet de dans). Dit orkest uit de traditie van de authentieke uitvoeringspraktijk (zie kader) verwierf onder liefhebbers faam met smaakvolle, historisch correcte uitvoeringen van muziek van minder bekende oude meesters uit de zeventiende en achttiende eeuw.

En dit gezelschap gaat zich nu wagen aan de noten van Igor Stravinsky (1882-1971)? Vanzelfsprekend, zegt dirigent Michael Willens in Keulen. Willens werd geboren in Amerika, maar woont alweer tien jaar in Keulen. Voor hem op tafel liggen boeken met schetsen, oude partituren en wetenschappelijke studies naar de Sacre. Willens is ervan overtuigd dat de Sacre-uitvoeringen door moderne symfonieorkesten vér verwijderd zijn van wat destijds in 1913 het Parijse publiek zo opschudde. „Ik wil zo dicht mogelijk bij die eerste uitvoering proberen te komen”, vertelt hij. „Ik wil de mensen laten horen wat Stravinsky destijds hoorde.”

Om zijn doel te bereiken raadpleegde Willens onder meer de pianopartituur die Stravinsky destijds gebruikte tijdens de balletrepetities, en de partituur waarmee dirigent Pierre Monteux de première leidde. Zij noteerden daarin de tempo’s die in de verschillende delen gebruikt werden. Tegenwoordig drukken dirigenten juist hun persoonlijke stempel op muziek door naar eigen inzicht tempovariaties aan te brengen. Willens verkiest echter historische accuratesse boven zelfexpressie, en gebruikt dus de oorspronkelijke tempo’s uit 1913.

Ook de noten past hij hier en daar aan. Hij wijst op allerlei passages die in zijn ‘oersacre’ opvallend anders zullen klinken: „Hier spelen we af en toe pizzicato, waardoor het ineens heel erg jazzy klinkt”, zegt hij over een paar maten uit de beruchte offerdans, de Danse sacrale. “En aan het slot klonk in de percussie eigenlijk een guiro (een soort rasp), maar die heeft Stravinsky er later uitgehaald. Ik heb hem in ere hersteld.”

Ook wijzigingen door de componist zélf kunnen volgens Willens dus leiden tot een ‘inauthentieke’ interpretatie. „Als Stravinsky zo’n opvallend detail pas jaren later verwijdert, is het geen eenvoudige ‘correctie’ meer, maar een vernieuwing die hoort bij een latere creatieve fase. Als je terugwilt naar de Sacre van 1913 moet je zoiets natuurlijk weer toevoegen.”

Om vergelijkbare redenen horen de opnamen die zowel Stravinsky als Monteux van de Sacre maakte niet tot Willens’ belangrijkste bronnen. Van de première bestaat helaas géén opname, en de andere opnamen zijn van soms vele jaren later en vertonen onderling bovendien opvallende verschillen.

Toch zal de belangrijkste schok

niet in zulke details schuilen, maar in de klank van het geheel. Net als bij de muziek van veel oudere componisten, zal Willens’ orkest spelen op authentieke instrumenten, zoals violen met darmsnaren. „Tot de Tweede Wereldoorlog speelden alle strijkers op darmsnaren”, vertelt hij. „Stravinsky, Debussy, Ravel, Schönberg of Bartók: je zou ze dus eigenlijk allemaal op darmsnaren moeten uitvoeren.”

In vergelijking met de tegenwoordig gangbare stalen snaren zorgen darmsnaren voor een veel brozer, transparanter en ingetogener geluid. De Sacre zal daardoor vanzelf al minder gewelddadig gaan klinken, met heel andere nuances dan gebruikelijk.

Willens laat het orkest bovendien in dezelfde opstelling op het podium zitten als in Stravinsky’s tijd gebruikelijk was, met onder meer de eerste en tweede violen respectievelijk links en rechts vooraan, in plaats van allemaal links.

Het enige dat Willens’ plannen zou kunnen dwarsbomen, zegt hij, is de matige akoestiek van de tijdelijke concertzaal Vredenburg Leidsche Rijn. Toch verwacht hij dat de luisteraars het werk fundamenteel opnieuw zullen leren kennen. En in 2013, als de Sacre een eeuw oud is, wil hij het nog eens overdoen, liefst in Parijs,met het originele ballet erbij.

Willens’ uitstapje

naar de twintigste eeuw lijkt representatief voor een ontwikkeling: de uitgangspunten van de ‘historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk’ worden steeds vaker toegepast op ‘bekend’ repertoire waarvan we ongemerkt zijn vergeten dat dit ooit óók anders werd gespeeld.

Het is bittere noodzaak, volgens Willens: „Veel moderne orkesten streven naar een veilige gelijkmatigheid van klank, ongeacht het repertoire dat ze spelen. Ze klinken overal allemaal ongeveer hetzelfde. Dan hou je de luisteraar toch voor de gek: op vroege opnames hoor je een veel grotere verscheidenheid tussen orkesten. Ik wil de mensen op z’n minst die keuze weer bieden.”

Kölner Akademie o.l.v. Michael Willens met Stravinsky: Le sacre du printemps. Voorafgegaan door Rameau: Les Indes Galantes, op 29 augustus in Vredenburg Leidsche Rijn. Info: oudemuziek.nl.

    • Jochem Valkenburg