Waarom voeten niet op de treinbank mogen

De ongepastheid van het leggen van voeten op de treinbank is niet gebaseerd op argumenten, maar op een functioneel vooroordeel, constateert Theodore Dalrymple.

Je ziet het in heel kleine daden van verzet tegen de conventie. In de trein, bijvoorbeeld, leggen jonge mannen en vrouwen vaak hun voeten op de zitting tegenover hen als die niet bezet is. Ja, ze beschouwen het praktisch als hun plicht om dat te doen. Zodra ze gaan zitten, leggen ze hun voeten neer, alsof ze hun territorium afbakenen of een recht op verovering claimen. Ze doen het in elk geval niet omdat ze moe zijn, want het is zeer onwaarschijnlijk dat hun voeten vermoeider zijn dan die van oude dames, die hun voeten nooit zo neerleggen.

De absolute soevereiniteit van het individu over zichzelf is dusdanig groot dat maar heel weinig mensen daar tegenin durven te gaan. Erop wijzen dat er een bordje hangt met de tekst: ‘Leg uw voeten s.v.p. niet op de banken’ – een tekst die nog maar enkele jaren geleden absurd, onnodig en overbodig zou hebben geleken – zou zinloos zijn, en misschien zelfs gevaarlijk, aangezien er tegenwoordig zoveel mensen bestaan die vinden dat ze hun soevereiniteit met het mes moeten verdedigen. Sterker: de mededeling zou het gedrag dat ze wil voorkomen weleens kunnen uitlokken, voor zover ze mensen uitnodigt om de kracht van hun karakter te demonstreren door een non-conformistische daad.

Nog niet zo lang geleden legde een jonge vrouw in een trein waarmee ik reisde demonstratief haar voeten op de bank tegenover haar. Ze behoorde duidelijk tot de middenklasse: conformistisch non-conformisme – of non-conformistische conformiteit – is al heel lang een handelsmerk van de middenklasse. Wat zuiver wetenschappelijk gezien ook de tekortkomingen mogen zijn van Lombroso’s idee dat criminaliteit aan bepaalde gelaatstrekken valt te herkennen, één blik op haar verzekerde me van het feit dat ze zeer waarschijnlijk niet tot de messen dragende gemeenschap behoorde, en ik vroeg haar of ze alsjeblieft haar voeten van de bank wilde halen. Ze begon haar eigen gedrag onmiddellijk (en schijnbaar zonder venijn) te rechtvaardigen. ‘Mijn voeten zijn schoon’, zei ze.

‘Dan tóch’, antwoordde ik.

‘Ze doen niemand kwaad’, repliceerde ze.

Gelukkig haalde ze toen haar voeten van de bank, hoewel ik zag dat ze ze er weer op legde, zodra ik de trein een station voor het hare was uitgestapt. Onze socratische dialoog over de ethiek van het leggen van je voeten op een bank in een trein was beëindigd.

Maar als die was voortgezet, dan lijdt het geen twijfel dat de jonge vrouw alle argumenten aan haar zijde had gehad, althans als alles behalve een volledige, eclatante overwinning een nederlaag betekent voor hen die een specifieke gedragsmaatstaf willen handhaven. Zo had ze bijvoorbeeld kunnen vragen of ik kon bewijzen dat het leggen van je voeten op onbezette treinbanken iemand schade deed. Ze had al gezegd dat haar voeten schoon waren, en het was daarom zeer onwaarschijnlijk dat iemand als gevolg van haar gedrag schade aan zijn gezondheid zou lijden.

Had iemand door middel van een wetenschappelijk experiment – dat wil zeggen, een dubbelblind onderzoek – onderzocht of voeten op onbezette treinbanken aanwijsbare schade berokkenden aan mensen die daar later op gingen zitten? Natuurlijk niet, het idee alleen al was absurd. Zouden de resultaten van zo’n onderzoek, als dat werd uitgevoerd, worden gepubliceerd in The New England Journal of Medicine, of zelfs in een minder prestigieus tijdschrift voor medisch onderzoek? De vraag stellen is haar beantwoorden. Maar op het eerste gezicht lijkt het onwaarschijnlijk dat er schade kan optreden, vooral ook omdat iedere passagier beschermende kleding draagt over dat deel van de anatomie dat normaliter in contact met de bank komt. En de bewijslast rust beslist bij degene die een bepaald soort gedrag wil verbieden. De jonge vrouw in de trein heeft er misschien geen filosofische werken over gelezen, maar ze kent de argumentatie, omdat vrijwel iedereen die kent.

Goed dan: je voeten op de bank leggen is onelegant, ook al brengt het de gezondheid geen schade toe. Ah, maar wie zegt dat? Is het geen feit, zowel historisch als antropologisch, dat wat als welgemanierd gedrag wordt beschouwd met tijd en plaats varieert, en dat wat in deze tijd en op deze plaats als verplicht wordt beschouwd in andere tijden en op andere plaatsen ten enen male wordt of werd verafschuwd? Opnieuw: de jongedame in de trein heeft misschien geen kennis genomen van Montaignes essay over kannibalen, waarin hij argumenten aandraagt voor de relativiteit van morele oordelen, maar ze zal de redenering beslist kennen.

Een appèl op de democratie en de opvatting van de meerderheid werkt ook niet, allereerst omdat zo’n meerderheidsopvatting niet het intrinsieke recht heeft om zichzelf aan minderheden op te dringen (in feite geldt precies het omgekeerde), en ten tweede omdat zelfs áls de opvatting van de meerderheid in het onderhavige geval relevant zou zijn, die met betrekking tot deze kwestie vrijwel zeker onbekend is. Niemand heeft ooit onderzoek verricht om die opvatting vast te stellen, en bovendien kun je erover twisten bij welke groep mensen je onderzoek zou moeten doen. Onder de bevolking van het hele land? Onder alle treinreizigers? Onder reizigers op specifieke trajecten, wier opvatting misschien verschilt van die van reizigers op andere trajecten? Onder mensen die zelden reizen, af en toe, vaak, of twee keer per dag? Moet de opvatting van iemand die maar eens in zijn hele leven met de trein reist even zwaar tellen als die van iemand die met de trein naar zijn werk gaat en dat al twintig jaar lang doet? Moet de opvatting van iemand die aan het begin van zijn passagiersloopbaan staat zwaarder tellen dan die van iemand aan het einde daarvan, omdat de eerste meer belang heeft bij de toekomst van de treinen?

Het zou strijdig zijn met de elementaire beginselen der rechtvaardigheid wanneer we verklaarden dat, als je toestaat dat mensen met schone voeten die voeten op banken leggen, mensen met vuile voeten al snel in hun kielzog zullen volgen. Zelfs als we zouden aannemen dat die argumentatie empirisch gezien correct is, zou het onrechtvaardig zijn om de ene mens te straffen voor de gevolgen die zijn gedrag heeft voor dat van een ander, omdat een mens uitsluitend de hele verantwoordelijkheid draagt voor zijn eigen daden.

Kortom: er bestaat absoluut geen doorslaggevende reden waarom mensen hun voeten niet op onbezette treinbanken zouden mogen leggen, en geen grond om ze daarvan te weerhouden.

Er bestaat heel wat alledaags, dikwijls gedachteloos en op basis van een vooroordeel bekritiseerd gedrag waarvan hetzelfde kan worden gezegd. Wat is er bijvoorbeeld verkeerd aan het achterlaten van vuilnis in de natuur? Wie ondervindt daar nou echt schade van? Het vreselijke esthetische gevolg telt niet als argument, omdat esthetica uitsluitend een kwestie van smaak en dus van opvatting is, en niet van een feit dat als zodanig kan worden bewezen. Morele afschuw (waarvan de metafysische fundering, of het gebrek daaraan, overeenkomt met die van het esthetische oordeel), ook al is die nog zo sterk, mag nooit de grondslag vormen voor een verbod. De mens die iets verafschuwt, kan degene wiens gedrag hij afkeurt de les lezen en met hem twisten, maar hij moet dat gedrag niet door middel van verboden of wettelijke sancties proberen te veranderen. Zo bezien zou natuurlijk zelfs necrofilie toegestaan zijn, omdat het alleen maar schadelijk is voor zover het de gevoelens kwetst van hen die er een afschuw van hebben. Maar dat telt niet, het is volstrekt onbelangrijk. De ongepastheid berust op een functioneel vooroordeel.

    • Theodore Dalrymple