Villaatjes voor de moddergarnaal

Dieren bouwen de mooiste dammen, torens, nesten, webben en burchten. Daar moet plezier achter zitten, zoals bij de meesterbouwer de prieelvogel, aldus een fascinerende studie.

Een termietenheuven in Afrika. Meinderts, Wil

Mike Hansell: Built by Animals. The Natural History of Animal Architecture. Oxford University Press, 268 blz. € 26,–

De kathedraal van Durham is architectuur, een fietsenstalling niet, vond de Britse architectuurhistoricus Nikolaus Pevsner. Nu ook fietsenstallingen, zoals die van VMX architecten bij het Centraal Station in Amsterdam, niet zomaar bouwsels zijn maar ernstige gevallen van architectuur, lijkt Pevsners definitie van architectuur achterhaald. Maar het is nu wel duidelijk wat hij bedoelde: van architectuur kun je alleen spreken als een gebouw doelmatig is en gevoelens van schoonheid, plezier of desnoods onbehagen oproept.

In zijn boek Built by Animals spreektMike Hansell, emeritus hoogleraar in de ‘animal architecture’ aan de Universiteit van Glasgow, zonder voorbehoud van ‘dierenarchitectuur’ en niet van ‘dierenbouwsels’. Over termietenheuvels schrijft hij bijvoorbeeld dat er, anders dan bij de door Cesar Pelli ontworpen Petronas Torens in Kuala Lumpur, geen architect aan te pas is gekomen, maar dat termieten toch ‘waarlijk architectuur hebben gecreëerd’. Hij vindt een heuvel van de Macromtermes-termieten in Afrika veel indrukwekkender dan de Petronas Torens die van 1998 tot 2003 de hoogste gebouwen ter wereld waren. Met hun 452 meter zijn de torens in Kuala Lumpur ongeveer 247 keer zo hoog als een volwassen mens, zo berekent hij. Maar een Macromtermes-termietenheuvel kan een hoogte bereiken van zeven meter en is, zo schat hij, 800 keer zo hoog als een volgroeide termiet.

Bovendien werken in de Petronas Torens zo´n 20.000 mensen, terwijl een termietenheuvel vijf miljoen termieten telt. Een termietenheuvel kent ook veel meer verschillende vertrekken, zoals een koninklijk appartement, kinderkamers voor de larven en schimmelkwekerijen voor voedsel. En bovendien is de termietenstadvoorzien van ventilatiesystemen die werken met verschillen in luchtdruk en temperatuur.

Wonderen

Behalve termietenheuvels beschrijft Hansell nog tientallen andere voorbeelden van wonderlijke dierenarchitectuur, zoals dammen van bevers, wombatholen, burchten met 115 ingangen van in Afrika levende fluitende ratten, ingenieus geconstrueerde vogelnesten en de complexe holen van de moddergarnaal. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze allemaal het resultaat zijn van handelingen van de makers. Dingen als koraalriffen, die zijn opgebouwd uit restanten van dode dieren, rekent Hansell niet tot dierenarchitectuur. Dat zijn bouwsels.

In zes hoofdstukken die op de introductie ‘The Builders’ volgen, behandelt Hansell verschillende aspecten van het gedrag van de dierlijke bouwers. Hierbij maakt hij vergelijkingen met zijn eigen dagelijkse leven en mensenarchitectuur. Waar nodig legt hij helder uit wat bijvoorbeeld de evolutietheorie en genetica inhouden, de twee steunpilaren voor Hansells verklaringen van het bouwgedrag van dieren. Dit maakt Built by Animals ook toegankelijk voor niet-biologen.

Dit wil niet zeggen dat Hansell voor de lezer op zijn knieën gaat zitten of volstaat met een lange parade van de wonderen der natuur. Complexe biologische verklaringen van dierenarchitectuur schuwt hij niet. Hierbij houdt hij zich aan de regels van de Popperiaanse wetenschap. Vaak oppert hij verklaringen voor het bouwgedrag van dieren die hij vervolgens toetst aan observaties. Hierdoor krijgt Built by Animals iets voorspelbaars. Want natuurlijk worden Hansells veronderstellingen altijd bevestigd door het beschreven gedrag van de dieren. Dit komt doordat Hansell als schrijver geen wetenschapper is die proefondervindelijk te werk gaat. Hij wist alles al, ook het resultaat van zijn waarnemingen, voor hij aan Built by Animals begon.

Ondanks die self-fulfilling prophecy bevat het boek voor niet-biologen een aantal openbaringen. Zo maakt Hansell duidelijk dat voor bouwen hersens niet noodzakelijk zijn. De Difflugia coronata, een eencellige amoebe, maakt bijvoorbeeld zijn behuizing van minuscule zandkorrels. Die ordent hij zo dat er een prachtige bal met scherpe stekels en een gekartelde opening ontstaat waarbij elke ontwerper van computerblobs zijn vingers zou aflikken. Maar dit eencellige wezen heeft geen hersenen, zijn complexe bouwwerk is het resultaat van vele achtereenvolgende eenvoudige handelingen.

Gesamtkunstwerk

Dit verklaart ook waarom vele dierenarchitecten niet tot de hogere dierensoorten horen. De nijverste en kundigste bouwers zijn niet gorilla’s of chimpansees – die bouwen alleen maar een slordig nachtverblijf van takken en bladeren – maar mieren, termieten en andere insecten. Ook voor termietenheuvels, het favoriete bouwwerk van Hansell, of voor een tweezijdig gebogen wespennest van zeshoeken is het meesterbrein van een architect niet nodig. Zelfs deze bouwwerken zijn een kwestie van simpele stimuli en responses die tot routineuze handelingen leiden.

In zijn laatste en voor niet-biologen boeiendste hoofdstuk gaat Hansell uitgebreid in op de vraag waarom hij zonder voorbehoud spreekt van architectuur en werpt hij de vragen op wat kunst nu eigenlijk inhoudt en biologisch verklaard kan worden. Hansells definitie van kunst en architectuur lijkt op die van Pevsner: bij kunst is sprake van belangeloos plezier. Hansell wil aan de hand van de prieelvogel bewijzen dat ook dieren bouwsels maken waar ze in de eerste plaats plezier aan beleven.

De prieelvogel komt voor in Australië en is, zoals vele dieren in dit land, een vreemd schepsel. Het mannetje bouwt van twijgen een soort tuinhuisje op de grond. De binnenwanden van het tuinhuisje beschildert hij met blauwe verf van eigen maaksel, een mengsel van gemalen fruit en speeksel. De buitenzijde versiert hij met bloemetjes. Voor het huisje legt hij een laantje aan, van schelpjes, takjes, blauwe parkietenveren en tegenwoordig ook flessendoppen, ook bij voorkeur blauw.

Het bijzondere van dit prieel is dat het niet wordt gebruikt als nest. Dit bouwt het vrouwtje later in een boom om haar eieren in te leggen. Het tuinhuisje is slechts een middel om het vrouwtje te behagen. Met geluiden lokt het mannetje een vrouwelijke prieelvogel naar zijn bouwsel. Zit ze eenmaal in het prieel dan begint het mannetje met veel kabaal aan een wilde dans. Hier is volgens Hansell sprake van een ware multimediaperformance, een Gesamtkunstwerk van architectuur, zang en dans.

Het vrouwtje kiest het mannetje met het mooiste Gesamtkunstwerk, dat wil zeggen waar zij het meeste plezier aan beleeft. Hansell Hij veronderstelt dat dat plezier betekent dat de vrouwelijke prieelvogels andere hersens hebben dan vergelijkbare vogels waarvan het mannetje geen prielen bouwt. Hij oppert dat MRI-scans van prieelvogelhersenen kunnen aantonen welke delen betrokken zijn bij de beleving van plezier. Maar vooralsnog acht hij dit om ethische en praktische redenen onuitvoerbaar. Hoe dan ook, de biologische functie van kunst, is verleiding, aldus Hansell.