Slapen in halfduistere klaslokalen

Na een week oorlog huisvest Goergië zo’n 18.000 vluchtelingen. De meesten trekken naar de hoofdstad.

Er is grote schaarste aan voedsel en bedden.

In de hal van School nr. 165 in de deftige Paliasjvilistraat is een opstootje gaande. „Ze is geen vluchteling”, schreeuwt een hysterische vrouw tegen een leeftijdgenote. „Gooi haar er uit.”

Een paar twintigers bemoeien zich er mee. Ze schreeuwen de vrouw uit voor rotte vis. „Opsodemieteren”, zegt een van hen. „Ze heeft geen recht op voedsel.” De vrouw wordt meegenomen naar haar kamer om haar papieren aan agenten te laten zien.

School nr. 165 is samen met de belendende School nr. 56 sinds zaterdag opvangcentrum voor Georgische vluchtelingen uit het oorlogsgebied aan de grens met Zuid-Ossetië en uit Gori. In totaal wonen er in de beide gebouwen zo’n driehonderd ontheemden. „Gas en elektriciteit hebben we niet, want onze gebouwen worden opgeknapt”, zegt het plaatsvervangend schoolhoofd Nino Satsjelasjvili. „En bedden zijn er evenmin. De vluchtelingen slapen op stoelen. ”

In de halfduistere klaslokalen is het smerig. Er hangt een sfeer van verdriet en verwarring. Op de lerarentafels liggen halve taartjes, lege zakken chips, plastic flessen met water. „Wat ze ook van me zeggen, ik heb gelijk”, zegt de 49-jarige vermeende nepvluchteling Diana Tabatadze uit het 455 zielen tellende Georgische dorp Noeli bij Tschinvali. „Ik ben alleen vóór de aanval van afgelopen donderdagnacht gevlucht. Op 1 augustus begonnen de Zuid-Ossetiërs ons al te bombarderen. Het hele dorp zat in de kelder. Toen we de volgende ochtend boven kwamen waren de koeien en varkens dood. Alle huizen stonden in brand. Ik zal wel nooit meer terug kunnen.”

De 50-jarige lerares Elza Basjesjvili is afgelopen vrijdag met haar man, zoons en dochter uit Tschinvali gevlucht. „We werden al jaren geprovoceerd door de Russische vredestroepen”, zegt ze. „Niet door de Ossetiërs, want met hen konden we altijd goed overweg. Maar donderdagnacht begonnen die vredessoldaten te schieten. We hebben de hele nacht in de kelder doorgebracht. Mijn huis is afgebrand. Daarna zijn we met de auto door het bos naar Gori gevlucht, vanwaar we vanochtend naar Tbilisi zijn gevlucht. De Russen waren Gori aan het plunderen. Als je ze probeerde tegen te houden, schoten ze je dood. Ook hebben ze een jonge vrouw ontvoerd. En dan weet je wel wat er met haar is gebeurd.”

De 36-jarige Sjorina heeft sinds haar vlucht niets meer van haar beide broers gehoord, die in Tschinvali zijn achtergebleven. „Ik weet niet of ze nog leven”, zegt ze, waarna ze een foto laat zien van haar vier jaar geleden vermoorde man. „In Tschinvali zag ik Russische, Ossetische en Tsjetsjeense tanks die schoten op alles wat ze tegenkwamen. Er zijn erg veel mensen vermoord. De varkens aten van de lijken.”

De 25-jarige Koba Kolisjasvili is zaterdag al uit Gori gevlucht. Zijn ouders en grootmoeder heeft hij achtergelaten. „Ik heb niets meer van ze gehoord”, zegt hij. „Ze wilden per se in Gori blijven omdat ze dachten dat het gauw weer rustig zou worden.”

Na zes dagen oorlog huisvest Tbilisi zo’n 18.000 vluchtelingen. In de stad zelf zijn er tienduizend ondergebracht, de rest zit in de periferie. „Er is grote schaarste aan voedsel en bedden”, zegt Lali Poegajeva, minister voor Vluchtelingzaken van de alternatieve Georgische regering voor Zuid-Ossetië. „En de overheid kan ons niet helpen, want die heeft geen geld. We krijgen gelukkig wel veel hulp van het Amerikaanse Jewish Joint Distribution Committee en het Georgische Rode Kruis.

Bij het Georgische Rode Kruis bereidt medewerkster Nino Schirtladze een klein voedseltransport voor naar een andere school in de stad. „Dankzij een lokale fabrikant hebben we nu dekens en voedsel voor zo’n driehonderd vluchtelingen in een school in de Kandelaki-straat”, zegt ze. „We vrezen niet voor een humanitaire catastrofe, want de VN hebben voor de komende zestien dagen voldoende voedsel voor tienduizend mensen. Het enige probleem is dat we niet naar de dorpen kunnen, omdat de wegen zijn geblokkeerd. Ook hebben we niet genoeg plaats om iedereen onder te brengen. Want volgens schattingen zijn er nu zo’n honderdduizend Georgiërs ontheemd.” Drie gevluchte vrouwen, waaronder de 50-jarige Nina Bordzvadze, uit dorpen aan de grens met Zuid-Ossetië kijken gelaten toe hoe medewerkers van het Georgische Rode Kruis, de Turkse Halve Maan en de Israëlische Rode Davidster dekens en voedsel de school inbrengen.

    • Michel Krielaars