Schuif de zee opzij

Hester Knibbe: Bedrieglijke dagen. De Arbeiderspers, 67 blz. € 16,95

Oog en lens zijn trefwoorden in de poëzie van Hester Knibbe. In het mottogedicht van haar nieuwe bundel, Bedrieglijke dagen, worden ze nadrukkelijk benoemd. In krachtige slotregels suggereert de dichter het onvermogen binnenkruipende beelden stil en op scherp te zetten: ‘Het is // de verte lief waarvoor je arm / te kort, je hand te klein en toch / ze waait naar binnen en verblijft // in heel het lijf als hunkering.’ De daarop volgende titelcyclus is een geslaagde poging om toch vat te krijgen op zo veel vluchtigheid. Er wordt rondgekeken en beleefd, maar ook verzwegen, terwijl ‘weer een dag richting smeulende horizon schrompelt’.

Kleine gebeurtenissen en dingen worden in de lens gevat en uitvergroot. Ook in deze bundel staan treffende typeringen van mens en dier. Zeus de olympische schildpad bij voorbeeld: ‘Wat zal hij // zich haasten? Als hij moet schuilen gaat hij / gewoon bij zichzelf onder dak.’ Of de bader op zondag, die in zee een boek stond te lezen: ‘Terwijl hij stap / voor stap de zee wat opzij schoof.’ Schildpad en bader zijn gezien en tot onder het vel benaderd. ‘Huidig’ is dan ook de titel van de afdeling waarin hun verzen zijn opgenomen. Maar het is niet alleen de microkosmos die Knibbe woorden geeft. In een van de beste gedichten treft ze de kern van het menselijk onvermogen. ‘Wet’ heet dit vers.

Neem water, obligaat, dat zeeën voedt

of wind die willoos waait en draaien

moet, het gras dat groeit weer wordt

gemaaid of wij die groter eerst dan

krimpen rimpelen versimpelen

tot niet: steeds anders dan daarnet. Of

grilliger: je zult van A naar Z, maar dan

– zo ongeveer bij J – staat plots het lot

je in de weg en neemt je mee. Waarheen?

Dat weet het water dat in zeeën hokt.

Dat weet de wind die niet te vinden is.

Dat stottert gras dat wordt gekort.

Het krimpen, rimpelen en versimpelen krijgt een finale verwoording in de zeven gedichten van het ‘Memento’ dat Knibbe over haar moeder schreef. De datering 1906-2006 suggereert dat die moeder een eeuw heeft volgemaakt. Staarblind is ze in ‘Memento’ en ze heeft haar schoenen weggedaan: ‘ik kan het nu / wel op mijn sloffen af en hoef niet meer / zo nodig naar de gang, dat is me // ook te druk en te complex, zij zien / mij wel, ik zie hen niet, groet vriendelijk – / maar wie? En trouwens toch, wat zal ik nog / de deur uit gaan nu ik al haast vertrek.’

In Bedrieglijke dagen toont Knibbe opnieuw het vermogen universeel vorm te geven aan haar poëtische beslommering met het grensgebied tussen leven en dood. In ‘Memento’ gebeurt dat met de berustende kwinkslagen van een honderdjarige. Het tweeluik ‘Buongiorno’ daarentegen heeft een ernstige toon, maar ook daarin klinkt gelatenheid door. Opvallend is dat aan weerszijden van Knibbes poëtische scala de taal vanzelfsprekend lijkt. Dat komt vooral ook, denk ik, doordat verheven taalgebruik ontbreekt en de metaforen binnen de dampkring blijven. Het eerste couplet van ‘Monemvassia’ lijkt programmatisch voor Knibbes opvatting over poëtische dan wel romantische boventonen.

Het oudste ongemak heet romantiek.

Je zwikt en knikt: zo echt zoals het was zo

Anton Pieck en zie hoe crimineel de klaproos

daarin gloeit, heel boeiend ook dat men

destijds – verdomme!!! – zoveel kleiner

was: hef fier het hoofd, maar

nooit in Monemvassia.

Nuchtere spot klinkt ook waar ontroering de drijfveer is. Anders dan je verwacht, versterkt die combinatie de emotionele lading. En in elk vers is verwonderlijke reflectie. Hoe simpel alledaags Knibbe’s beelden en taal ook overkomen, bij nieuwe lezing verschijnt een diepere laag.

    • Arie van den Berg