Rimpeldoorsnijding: vijf schelling per stuk

Oebele Vries (samenst.): Asega, is het Dingtijd? De hoogtepunten van de Oudfriese tekstoverlevering. Steven Sterk, 535 blz. € 75,–

Bestaat er zoiets als Oudfriese literatuur? Het is maar hoe men ‘literatuur’ opvat, maar schitterende teksten zijn er zeker bewaard gebleven. Ze zijn te vinden in Asega, is het Dingtijd? samengesteld door Oebele Vries.

Bij ‘dingtijd’ moet men denken aan ‘rechtsgeding’. Asega, is het Dingtijd? bevat voor het overgrote deel rechtteksten uit de Middeleeuwen, ondergebracht in afzonderlijke ‘boeken’. Je zou de bundel van Oebele Vries de ‘bijbel van het Friese recht in de Middeleeuwen’ kunnen noemen. Het rechtsgebied is per boek verschillend, bij elkaar opgeteld bestrijken ze het gebied tussen Zuiderzee en de tegenwoordig Duitse rivier de Weser. De taal waarin ze zijn gesteld is een eigenwijze tak van het Oudengels: Oudfries. Dit aspect en alle andere is bijzonder helder door de samensteller verklaard.

Met Asega, is het Dingtijd? stappen we in een vreemde, andere wereld. Wat bij voorbeeld is een asega, een centrale functionaris in het Oud-Friese recht? Een rechter is het niet, Vries spreekt van ‘een gezaghebbend kenner van het recht’, die zowel rechters als aanklagers adviseert over de te nemen stappen in het proces.

Eigenaardig is ook het mengelmoes van christelijke en prechristelijke elementen. Zo kunnen veroordeelden zowel worden opgehangen aan ‘een boom die noordwaarts is gericht’ (wat mij als heidens voorkomt) als worden blootgesteld aan de Godsproef. Dat ziet er christelijker uit, zeker gezien het karakter van die proef: met de blote arm op de bodem van een ketel kokend water roeren tot men een muntje te pakken heeft. Loopt men hier geen brandwonden bij op, dan is de onschuld bewezen.

Wat opvalt is hoeveel wetsregels aan gastvrijheid zijn gewijd, of de bepaling dat iemand met een eigen huis (op straffe van een dwangsom) in het bezit moet zijn van een lang zwaard. Wat te doen als iemand uit Noormannengevangenschap terugkeert en iemand zijn land en huis heeft ingenomen? Welke schadevergoeding hoort bij toegebrachte lijfschade? Mooie lijstjes. Laagste graad van het op de grond werpen van een medemens: twee schellingen. Middelste graad van te waterwerping: zesendertig schellingen. Vastgrijpen bij de baard: tien. Tast men iemand in de schaamdelen: eenentwintig en eenderde schelling. Rimpeldoorsnijding: vijf schelling per stuk. Op ernstiger categorieën (moord, doodslag, verkrachting) is er sprake van ‘weergeld’, een bedrag dat men moet betalen, op grond van de waarde van het slachtoffer.

Filologen uit de 19de eeuw als Jacob Grimm spraken van iets als ‘Poësie im Recht’. Met die dichterlijkheid valt het volgens Oebele Vries wel mee. Er is volgens hem meer sprake van ‘pre-literaire’ teksten en ik ben dat met hem eens. Toch is Asega, is het Dingtijd? fascinerend om te lezen, en hier en daar naderen de opgenomen teksten de poëzie verrassend dicht. Zo is er de beroemd geworden ‘eeuwigheidsformule’ als het om vredestichting gaat: ‘Zolang de wind van de wolken waait en het gras groeit en de boom bloeit en de zon opgaat en de wereld bestaat’. We vinden de uitdrukking ‘blootschenkelige kampvechter’ fraai. In welk noodgeval mag een moeder het land van haar kind verpanden? ‘Wanneer het kind spiernaakt is of dakloos en dan de duistere nevel en bitterkoude winter en de lange duistere nacht zich uitspreiden over de omheinde velden. […] Dan weent en schreit het onmondige kind en dan beklaagt het zijn naakte leden en zijn dakloosheid en het gemis van zijn vader, die […] zo diep en zo donker met vier nagelen onder eikenhout en onder de aarde ligt besloten en bedekt.’ Een parel uit Asega, is het Dingtijd? Een grein ware, ontroerende literatuur.