Nieuwe penhoudergreep moet goud opleveren

Na jaren van ups en downs domineert China sinds de Spelen in Sydney (2000) het tafeltennis weer. Het ziet er naar uit dat de vrouwen en de mannen ook dit jaar de gouden medaille winnen.

Tafeltennisser Wang Hao doet rekoefeningen tijdens een van zijn olympische trainingen. Foto AP China's Wang Hao stretches during a table tennis practice session at the Beijing 2008 Olympics in Beijing Monday, Aug. 11, 2008. (AP Photo/Chitose Suzuki) Associated Press

Dragutin Surbek, bijgenaamd de Tijger van Zagreb, reisde als Europees kampioen tafeltennis in de jaren zeventig als een van de eersten naar China. Tijdens een bezoek aan een fabriek in de provincie werd hij in een demonstratiepartijtje van de tafel gemept door een arbeider die voor de gelegenheid van achter de lopende band was gehaald. China was toen al een tafeltennisgrootmacht en dat is het nog steeds. Of beter gezegd: opnieuw, want de sport heeft in de afgelopen decennia grote ups en downs gekend en is door toedoen van Europa ingrijpend vernieuwd.

Tijdens de culturele revolutie werd er in China niet getafeltennist. Toen China daarna de blik weer naar buiten richtte, werd de sport gebruikt om de vriendschap met het Amerika ten tijde van Nixon te herstellen. Het eerste contact met de VS kwam tot stand via een serie tafeltenniswedstrijden en zo werd de pingpongdiplomatie geboren. Het rubber waarmee de tafeltennisbatjes in die tijd werden beplakt, heet sindsdien vriendschapsrubber. Winnen of verliezen stond begin jaren 70 geheel in dienst van het landsbelang. Zo kreeg de Noord-Koreaanse speelster Pak Yun Sun in 1976 de wereldtitel cadeau omdat dat politiek gewenst was. Haar Chinese tegenstandster, Chang Li, kreeg de zware opdracht te verliezen.

Al vroeg in de jaren zeventig van de vorige eeuw begon China sporttechnologie uit de toenmalige DDR te importeren. Nog steeds ontwikkelt China topsporters op basis van het Oost-Duitse piramidemodel, waarbij tijdens schooltoernooien talenten worden gescout die per district en provincie voor de top worden opgeleid; kleuters leren pingpong te spelen met aan touwtjes vastgeplakte ballen.

Toch wordt het succes van China niet alleen bepaald door de wet van het getal en het moordende selectiesysteem. Chinese spelers ontwikkelen een grote diversiteit aan stijlen en spelen met raadselachtige effecten, zodat veel confrontaties nodig zijn voor je als tegenstander weet hoe je een Chinese speler zou kunnen verslaan. Toch slaagden de Zweedse mannen er in de jaren negentig in. De supertalenten Jan-Ove Waldner en Jurgen Persson presenteerden modern turbotafeltennis waarmee zij tijdens de wereldkampioenschappen en Olympische Spelen van 1992 de Chinezen naar de kroon staken.

Grondlegger van dit Europese ‘turbotafeltennis’ was Surbek, de man die in de jaren zeventig klop kreeg van een Chinese fabrieksarbeider. Op de WK van 1981 in Novi Sad baarde hij opzien door een batje te gebruiken dat bij elke slag een vreemdsoortig pokgeluid produceerde. Surbek smeerde stiekem op het toilet zijn rubbers in met fietsbandlijm. Maar door de penetrante geur die uit het toilet opsteeg, werd al snel duidelijk waarom hij op zijn leeftijd nog in staat was de bal zoveel extra spin en snelheid mee te geven.

De Europese generatie van toen bleek daarna in staat de onoverbrugbaar geachte kloof met China te dichten. Europese toppers als Waldner en Persson kregen vleugels doordat zij dankzij de wonderlijm in combinatie met hun fluwelen techniek een tot dan toe ongekende snelheid aan de bal konden meegeven. Zes jaar lang had China geen antwoord op de nieuwe dynamiek.

De malaise duurde voort toen Deng Xiaoping met zijn opendeurpolitiek een nieuw tijdperk voor China inluidde met meer vrijheid voor de economie, maar ook met meer individuele ontwikkeling in de kunst en de sport.

Waldner was niet langer een handlanger van het internationale cultuurimperialisme, maar kreeg een heldenstatus als de man die het tafeltennis ingrijpend had vernieuwd en de Chinezen met die moderne wapens aftroefde.

Chinese spelers gingen in navolging van de Europeanen ook over op het gebruik van lijm zonder de typisch Chinese penhoudergreep. Daardoor verloor het Chinese spel zijn onvoorspelbare karakter. De huidige coach van het Chinese mannentafeltennisteam, Liu Guoliang, was de eerste die zich de kracht en de speltechniek van Waldner eigen maakte terwijl hij trouw bleef aan de Chinese penhoudergreep: in 1996 werd hij daarmee in Atlanta olympisch kampioen. Tijdens de Olympische Spelen van Sydney in 2000 herwon China de wereldhegemonie toen Kong Linghui, weinig meer dan een Chinese kloon van Waldner, de oude meester in een bloedstollende finale versloeg.

Bij de vrouwen zijn de krachtsverhoudingen in de afgelopen twintig jaar weinig veranderd. In Peking bestaat er geen twijfel dat een speelster van de Volksrepubliek de gouden medaille in de wacht zal slepen; sterspeelsters als Zhang Yining, Guo Yue en Wang Nan zijn favoriet. De Europese speelsters hebben nog steeds geen antwoord gevonden op de oneindige variatie aan speelstijlen van de Chinese speelsters, die overigens al lang niet meer exclusief uitkomen voor hun thuisland, maar ook voor diverse landen in Europa en voor Amerika. Chinese broodspeelsters zijn in de afgelopen jaren simpel genaturaliseerd en spelen nu in de landenteams van Europa en Amerika. Ook deze trend bevestigt de absolute hegemonie van het huidige Chinese tafeltennis.

Na de Spelen zal de Internationale Tafeltennis Federatie deze export van Chinees sporttalent beperken door de maximumleeftijd van Chinese speelsters die voor buitenlandse nationale teams uitkomen op achttien jaar te stellen. Maar ook hier lijken de Chinezen al iets op te hebben gevonden: Peter Engel, voormalig bondscoach van Nederland, werd enkele jaren geleden geconfronteerd met een bijzondere vorm van mensenhandel, toen een Chinese official hem een videoband aanbood van een twaalfjarige speelster. In ruil voor Amerikaanse dollars bood hij de Nederlandse coach aan het meisje te kopen, zodat zij binnen twee jaar met een Nederlands paspoort zijn team kon versterken.

De mannen van het Chinese olympische team van 2008 vertegenwoordigen qua stijl en techniek het beste van twee werelden: Ma Lin en Wang Hao spelen met een radicaal vernieuwde penhoudergreep en Wang Liqin is een pure Waldnerkloon met een Chinese twist. Ze verdienen miljoenen euro’s per jaar en Wang Liqin wordt door de meisjes aanbeden als een Chinese David Beckham. Het lijdt bijna geen twijfel dat zij net als hun collega’s van het Chinese vrouwenteam de strijd om de gouden medailles zullen domineren. Europa’s enige hoop is het jonge Duitse supertalent Timo Boll. Slaagt hij er in de Chinezen in eigen land te verslaan, dan wacht hem eeuwige roem als destijds Anton Geesink in Japan.

    • Bettine Vriesekoop