Kunst van de onderbuik

Met zijn schilderijen van banale moppen, auto’s, cowboys en biker girls schraapt kunstenaar Richard Prince over de bodem van onze cultuur. Zijn werk is plat, lelijk, ordinair – en confronterend.

Richard Prince foto www.richardprinceart.com Prince, Richard

Kunstenaar Richard Prince is vooral bekend door zijn moppen. Deze bijvoorbeeld: ‘Twee leeuwen zitten uit te buiken na het avondeten. Zegt de ene leeuw tegen de andere: “Hé Sid, weet je nog, afgelopen zomer, toen we met z’n allen rond onze prooi zaten, en iemand vertelde een leeuwpaardenmop en jij lachte zo hard dat er een gewei uit je neus kwam?” Of wat te denken van deze: ‘Pas werd ik opgebeld door een meisje. Ze zei: “Kom langs, er is niemand thuis.” Ik ging langs en er was niemand thuis.’ Prince schildert deze moppen op grote doeken, meestal met weinig toevoegingen of franjes. Sommige zijn wel twintig jaar oud – de doeken dan.

Er is iets vreemds met ze aan de hand. Wie deze schilderijmoppen ziet op het Richard Prince-overzicht in Londen, vraagt zich vooral af of ze leuk zijn.

Om dat eerst te behandelen: persoonlijk moest ik wel lachen om de leeuwenmop (geschilderd op een doek van zeker tien vierkante meter); de niemand-thuis-mop deed me weinig. En dan was ik nog mild: tijdens mijn bezoek aan The Serpentine Gallery zag ik zelden iemand grinniken of lachen, al was het maar van verbazing.

Dat kwam ongetwijfeld mede door de overdaad aan slechte smaak waarin ze op de expositie waren ingebed – Prince’ werk bestaat verder vooral uit foto’s van lelijke halfnaakte vrouwen, glimmende auto’s en romantische cowboys tegen technicolorluchten.

Dat heeft hem er overigens niet van weerhouden erg beroemd te worden. Sinds het begin van de jaren negentig heeft Prince vele navolgers gekregen; begin dit jaar nog bracht een van zijn foto’s van een cowboy op een veiling het recordbedrag van meer dan drie miljoen dollar op – toen het hoogste bedrag ooit voor een foto betaald. Maar dat maakt die moppen nog niet beter. Aan de andere kant lijkt er ook niemand meer te bestaan die het vreemd vindt dat een matige mop, geschilderd op een enorm doek, als serieuze kunst wordt beschouwd.

Het punt is: toen Richard Prince

(1949) dit soort moppen voor het eerst tot kunstwerken transformeerde, eind jaren tachtig van de vorige eeuw, was het niet de bedoeling er om te lachen. Het ging Prince vooral om de vraag of moppen kunst konden zijn. Hij was op dat moment, samen met zijn toenmalige partner Sherrie Levine, de voorman van de zogenaamde appropriation-beweging. Hun werk bestond vooral uit het maken van foto’s van beelden uit de zogenaamde ‘lage’ cultuur (pornoplaatjes, sigarettenreclames). Die foto’s hingen ze vervolgens als eigen werk, als kunst dus, aan de muur.

Op dat moment werd dat beschouwd als de ultieme uitdaging aan de hogere cultuur: Prince en Levine gebruikten het mechanisme van kunstenaars als Warhol en Duchamp (‘alles kan kunst zijn’) en voerden dat tot de uiterste grens. Dat kwam allereerst doordat hun werk voornamelijk bestond uit het maken van foto’s van bestaande foto’s – makkelijker kan het bijna niet. Maar daarbij zorgden ze er ook nog voor dat die foto’s steevast de lelijkste, platste, of commercieelste beelden toonden die je je maar kon voorstellen. In dat opzicht waren Prince’s geschilderde moppen nog een hoogtepunt van verlichting – die waren én geschilderd én ze bestonden uit tekst. Op zijn foto’s ging Prince nog verder. Zijn eerste bekende werk bijvoorbeeld was een naaktfoto van actrice Brooke Shields als late puber, haar lijf glimmend van de olie, poserend in een kitscherige omgeving, door Prince ‘geherfotografeerd’ uit een dubieus tijdschrift. Titel: Spiritual America. Het was een zeer indringend beeld, vooral omdat het zo diepranzig was: kitscherige kinderporno met een aankomende beroemdheid, erger kon het bijna niet.

Toch was dat wel het pad waarop Prince zich thuis voelde. In de jaren die volgden maakte hij een (beroemde) serie foto’s van halfnaakte bikergirls, die zich als gewillige seksobjecten over dikke motoren plooien. Ook ‘hergebruikte’ hij foto’s van de beroemde Marlboro-cowboy met weglating van het merk, wat romantische foto’s opleverde van eenzame macho’s tegen paarse luchten.

Het paste allemaal perfect in de geest van de jaren negentig, de tijd waarin de discussie over het bestaansrecht van kunst in het algemeen en de grenzen tussen hoge en lage kunst zijn hoogtepunt bereikte. Tegelijk was het allemaal ook erg ‘camp’, al dat geflirt van een ‘hogere’ kunstenaar met de laagste van de laagste culturele uitingen.

Hoezeer die hoog-laagdiscussie als de ‘camp’ voorbij zijn, wordt goed duidelijk als je nu, een jaar of vijftien later, in Londen opnieuw langs Prince zijn werk loopt. In de afgelopen jaren (waarin het relatief stil rond hem was – na ‘9/11’ was de mode duidelijk even de andere kant op gewaaid) is Prince gewoon doorgegaan op het pad waar hij zich bevond. Hij maakt nu werken met de voorkanten van verpleegstersromannetjes (die hij heel precies naschildert, wat een mooi, enigszins verwarrend resultaat oplevert), en hij poseert als fan van de band Sonic Youth (die helaas niet erg ‘low culture’ is, waardoor dat gedweep enigszins afbreuk doet aan zijn imago). Ook maakt Prince beelden van beschilderde motorkappen van auto’s.

Het intrigerende aan deze werken, in deze nieuwe tijd en omgeving, is dat je sterk beseft hoezeer Prince’ werk afhankelijk was van tijdgeest en context. Maar nu de tijd over dit werk is getrokken en het werk kunsthistorisch is gecanoniseerd, is de vraag al lang niet meer of dit kunst is. Maar: is het goede kunst? Heeft dit werk nog wel iets te zeggen als het geen grenzen meer te verleggen heeft?

Op het eerste gezicht is die vraag lastig te beantwoorden. Prince’ nadrukkelijke gekoketteer met slechte smaak lijkt nogal ouderwets. Het hoogtepunt daarvan is in The Serpentine Gallery de foute Amerikaanse muscle car, beplakt met zeefdrukken van ordinaire vrouwen. Het ding is plat, lelijk (de velgen glimmen of ze van verzilverd blik zijn gemaakt) en appelleert aan het soort machismo waar de gemiddelde museumbezoeker in het dagelijkse leven met een wijde boog omheen loopt. Aan de andere kant sluit zo’n auto wel goed aan bij de rest van Prince’ werk. Niet voor niets hingen de biker girls (titel: Untitled (girlfriend)) er vlak achter. Toen ik daar voor stond, merkte ik dat ik werd beslopen door een vreemd gevoel van schaamte, alsof ik niet de verdenking op me wilde laden dat ik naar deze vrouwen stond te kijken omdat ik ze ergens diep van binnen spannend of erotisch zou vinden.

Juist die blik, die je in de oude discussie

over ‘hogere’ en ‘lagere’ kunst altijd over het hoofd zag, blijkt een intrigerende ingang in Prince’ werk te bieden. Sterker nog: zelfs de hoog-laagdiscussie krijgt er een nieuwe dimensie door.

Wie Richard Prince’ moppen, auto’s, cowboys en biker girls bij elkaar ziet, beseft dat zijn kunst zich heel goed laat bekijken als een inhoudelijk onderzoek naar de grenzen van onze cultuur. Naar de cultuur van de onderbuik, de cultuur waar cultuur bijna geen cultuur meer is, de plaats waar cultuur overgaat in instinct – seks, dood en escapisme.

Juist door zich er zo verregaand mee te identificeren, confronteert Prince zijn toeschouwers met de vraag waarom zoveel mensen zijn gefascineerd door snelheid, door glimmers, of waarom vrouwen bereid zijn zichzelf vrijwillig te etaleren als willoze seksobjecten. Prince gebruikt zijn kunst als het ware om over de bodem van onze cultuur te schrapen en de toeschouwer triomfantelijk de aangekoekte resten te tonen. Het is natuurlijk een aardig extraatje dat de museumbezoekers, de kunstliefhebbers, bij uitstek het publiek vormen dat zich van die bodem meent te hebben losgemaakt, dat in het dagelijkse leven met een wijde boog heen loopt om halfnaakte amateurmodellen en auto’s met glimmende velgen. Het publiek dat zijn werk bekijkt is hetzelfde publiek voor wie het vertellen van een mop op een feestje een rampzalig vertoon van slechte smaak is.

Dit publiek wordt door Prince op harde wijze geconfronteerd met de grenzen van zijn territorium. Misschien was het daarom zo eerbiedwaardig stil op zijn tentoonstelling in The Serpentine Gallery: het is nooit een pretje om met de grenzen van je eigen smaak te worden geconfronteerd. Richard Prince doet het met sardonisch genoegen.

Richard Prince: Continuation. T/m 7 september in The Serpentine Gallery, Kensington Gardens, Londen. Dag. 10-18u. Inf. www.serpentinegallery.org

    • Hans den Hartog Jager