Hoezo inspraak van de burger?

Klagen over Den Haag, Brussel, onderwijs, zorg en marktdenken is aan de orde van de dag. Wat zijn de oorzaken, waar is de redelijkheid?

EU-vergaderzaal in Brussel Uit ‘The Presidency’, foto’s van Werry Crone en Roel Rozenburg Crone, Werry;Rozenburg, Roel

Frank Ankersmit en Leo Klinkers (red.): De tien plagen van de staat. De bedrijfsmatige overheid gewogen. Van Gennep, 268 blz. €19,90

De staat plaagt ons en wordt ook zelf geplaagd. Tien auteurs, onder wie Margo Trappenburg, Evelien Tonkens, Paul Frissen en Volkskrant-journalist Martin Sommer beschrijven de symptomen van die plagen. Zij behandelen de kloof tussen overheid en burger, de macht van de managers en de bestuurskunde, ten koste van inhoudelijke professionals, de verloren illusies over marktwerking, de ongeremde vernieuwingsdrift in het onderwijs en de problemen in de zorg. Het zijn zwakten van wat de liberaal Frits Bolkestein ooit raak typeerde als de proceduresamenleving.

Het haarscherpe openingsessay van de Groningse hoogleraar theoretische en intellectuele geschiedenis Frank Ankersmit zegt alles al. Hij ontmaskert de valse metaforen van het bestuurskundige jargon waarmee de politiek wordt uitgeschakeld. De ‘transactiestaat’ bijvoorbeeld. Die stelt weinig meer voor, omdat het slechts een forum is van private partijen die onderling belangen uitruilen, een soort markt. Er bestaat geen morele of politieke weging en de problemen worden alleen als oplosbare technische kwesties behandeld die kunnen worden nagemeten en waar bestuurders op kunnen worden ‘afgerekend’.

Toch is volgens Ankersmit de burger geen klant waar de overheid een product aan levert. Hoeveel service ambtenaren en politici ook verlenen, ze zijn nog geen Albert Heijn. De burger is namelijk mede-eigenaar van de firma, want hij betaalt belasting. In het transactiemodel met eindeloze schakels van wederzijdse verplichtingen ‘op maat’ tussen burger en overheid wordt het politieke element van de staat als gemeenschappelijk bezit weggemoffeld.

De ambtenaar is publiek ondernemer geworden, voegt de Amsterdamse hoogleraar bestuurskunde Jouke de Vries daar aan toe. Hij hoeft geen kennis te hebben van zijn vak, en zeker geen begrip van de grote vraagstukken en ideologieën, want die zijn ten einde. Op school heeft hij het nieuwe leren gekregen, dat de nadruk legt op vaardigheden, zoals presentatie en het leggen van sociale contacten.

Al lezend werd mij duidelijk wat mij vaak dwars zit bij dergelijke betogen. De klachten zijn oud en waarom is er dan zo weinig gebeurd? Sommige auteurs lijden zelf aan het euvel dat ze aanklagen. Hun klachten lijken neutraal wetenschappelijk van aard, maar zijn ook ideologisch. Het ontbreekt aan politieke theorie, het vak waarvan De Vries terecht vindt dat het nu zo jammerlijk ontbreekt aan de universiteit. De plagen van de staat zijn voor elke politieke stroming anders. Bestuurskundige verhandelingen zonder politiek fundament vervelen snel, omdat de aangedragen oplossingen niet aanhaken bij wat de mensen in de praktijk erover denken.

Deze bundel is politiek, zij het niet openlijk. Sommige betogen zijn tegengesteld aan elkaar. Terwijl volgens sociaal-democraat De Vries ambtenaren en bestuurders meer in de maakbaarheid van de samenleving moeten geloven, vindt de liberaal georiënteerde hoogleraar staatsrecht Paul Frissen dat zij daar veel te ver in gaan. Zijn aanval op de staat die overgewicht en ander kwaad wil voorkomen en te veel hecht aan gelijkheid van de burgers is ideologisch van aard. Terecht. Hij is de meest consequente auteur. Elke keuze heeft nadelen. Bureaucratie is de prijs die wordt betaald voor wettelijk afgedwongen gelijkheid. Als de overheid de bijzondere ziektekosten laat zitten, scheelt dat een hoop papierwerk. Dat is geen bestuurskundige, maar een politieke kwestie.

Toch ontbreekt het politieke debat over belangrijke keuzes, want Nederlandse politici bewegen zich nu eenmaal in scholen. In vorige decennia stemden ze allemaal vóór onderwijsvernieuwingen, nu stemmen ze honderd procent tegen, stelt Sommer verbaasd vast. Een soort Sovjetraad. Als vrijwel alle partijen dezelfde gedachte aanhangen, lijkt er geen ideologie te bestaan, alleen redelijkheid. De heersende ideologie van tien jaar geleden wordt dan beschouwd als een collectieve verstandsverbijstering die nu eindelijk is overwonnen. Geen wonder dat kiezers uit het politieke midden vluchten, want zij blijven wel verdeeld. Maar in dit ‘staatsbestel zonder ankers’ hoeft volgens Sommer het bestuur nauwelijks verantwoording af te leggen aan het kiezersvolk.

Ook het in de bundel gelaakte marktdenken is een mode die door het landsbestuur werd omarmd. De privatiserende ambtenaren deden wat de politieke consensus verlangde. Maar de druk kwam ook uit Brussel waar in de essays nauwelijks aandacht voor is. De markt is namelijk het enige breekijzer voor de Europese binnengrenzen. Het in elkaar passen van uiteenlopende rechtstelsels leidt tot een richtlijnenbureaucratie die ten koste gaat van de inspraak van de burger. Ook de Europese eenwording is een politieke keuze. De een zal de democratische gebreken van Brussel op de koop toe nemen, de ander niet. Dat dit dilemma in de bundel niet aan de orde komt, bewijst het gelijk van Ankersmit dat de werkelijke keuzes worden verdoezeld.