Gevaarlijk leven op papier

Een kogelregen maakte maandag j.l. in Buitenveldert een eind aan het leven van August ‘boyke’ A. De zoveelste liquidatie in ons land, die misschien weer een ‘true crime’-boek oplevert. Want daar smult de lezer van.

Foto Louis Moses/Corbis. Fotobewerking: Jelle&Wim Target --- Image by © Louis Moses/zefa/Corbis Schietschijf kaart Corbis

Harry Lensink: Stille Willem. De dodelijke spagaat van vastgoedbaron Willem Endstra. Balans, 335 blz. €12,50

John van den Heuvel & Bert Huisjes: Tijdperk Willem Holleeder. 25 jaar poldermaffia. House of Knowledge, 239 blz. € 19,95

Bart Middelburg & Paul Vugts: De oorlog in de Amsterdamse onderwereld. Nieuw Amsterdam, 272 blz. € 14,95

Soms staan boeven dichter bij de burger dan die burger durft te vermoeden. Het is tegenwoordig niet zozeer de fictieve thriller als wel de biografische non-fictie die tot zo’n onverhoedse confrontatie kan leiden. Twee persoonlijke voorbeelden.

Bijna twintig jaar geleden dook mijn eerste verre soortgenoot op: Klaas Bruinsma (Amsterdam, 1953-1991), bij leven tweeënhalf jaar ouder dan ondergetekende. In de jaren zeventig was Bruinsma bij schoolfeesten een geziene, en voor de organisatoren en klassenleraren gevreesde, hasjdealer. Desnoods kwaadschiks baande hij zich een weg naar de hippe lycea.

Recenter diende een tweede ongewilde verwantschap zich aan: Willem Endstra (Amsterdam, 1953-2004), bij leven ruim drie jaar ouder dan ondergetekende. Het fotokatern van de biografie Stille Willem, dit jaar door VN-redacteur Harry Lensink bijgewerkt en aangevuld, bevat een klassenfoto met de negenjarige Endstra uit 1962. Afgebeeld is de derde klas van de Amsterdamse School voor Opvoeding en Onderwijs. Deze ASVO was een progressieve school in de toen nog armetierige binnenstad en ook wat highbrow door de kinderen van culturele types als fotografen, schrijvers, huisartsen en advocaten. Kleine Willem staat op de onderste rij voor de klimrots op het speelplein. Rondom hem staan ‘juffie’ Van Dam, de oudste zoon van een neurobioloog alsmede de dochter van ’s lands belangrijkste courantier van toen.

Op zo’n groepsportret zoek je, als schoolgenoot uit een min of meer vergelijkbare sociaal-culturele klasse, onweerstaanbaar naar de overeenkomsten. Die aandrang is er minder op de eerste pagina’s van het recente plaatjesboek Tijdperk Willem Holleeder van de Telegraaf-journalisten John van den Heuvel en Bert Huisjes. Ook die hebben schoolfoto’s opgeduikeld: een met Willem Holleeder (Amsterdam, 1958) en een andere met Cor van Hout (Amsterdam, 1957-2003), bij leven circa anderhalf jaar jonger dan ondergetekende. Beiden, afkomstig uit 19de-eeuwse wijken in West, hebben een andere geschiedenis met drinkende vaders en criminele stiefvaders. De klassenfoto is ook anders. Er staan veel meer kinderen op.

Maar sinds de jaren negentig blijkt dat deze twee werelden toch meer gemeen hebben dan de onderwijzers in de jaren zestig voor mogelijk hadden kunnen houden. De buitenstaander kan het onderscheid tussen ‘strafblad’ of ‘bewijs van goed gedrag’ nu niet meer in één oogopslag zien door af te gaan op schoenen, horloge of sierraden. Onderwereld en bovenwereld zijn de afgelopen twintig jaar zo verstrengeld geraakt dat de culturele apartheid van weleer geen houvast meer biedt.

Die vermenging van hoge en lage cultuurgoederen is bij uitstek zichtbaar op de boekenmarkt. Ook de, voorheen betere, uitgeverij en boekhandel hebben dat begrepen. Zeker sinds de liquidatiegolf begin deze eeuw in Amsterdam en de uiteindelijke arrestatie van Willem Holleeder hebben zij een lawine van boeken over misdaad, afrekeningen en biografieën van criminelen op gang gebracht. Er lijkt maar geen eind te komen aan de reeks boeken, die dit jaar zijn verschenen in het genre true crime. En net zo belangrijk: ze zijn bestemd voor alle rangen en standen. Auteurs en uitgeverijen uit de ‘hoge cultuur’ van vroeger storten zich nu onbeschroomd op de misdaadlectuur. Zo is uitgeverij Nieuw Amsterdam bezig met een heus misdaadfonds. In mei verscheen bij deze uitgever bovendien het eerste nummer van het literaire tijdschrift Koud bloed. Waarom? ‘Misdaad loont. Zeker voor de mensen die erover schrijven’, erkennen Koud Bloed-redacteuren Siem Eikelenboom en Marie-Anne van Wijnen ruiterlijk. Maar er moet meer aan de hand zijn, gelet op het feit dat A.F.Th van der Heijden in dit blad publiceert. True crime is ook een spiegel van het maatschappelijke verkeer.

Het oorspronkelijk uit de Verenigde Staten afkomstige genre is in Nederland net zo oud als de moderne georganiseerde misdaad. Voordien verschenen er ook wel boeken. Bijvoorbeeld over de seriemoordenaar Hans van Z. die Nederland in de jaren zestig verbijsterde, of souteneur Haring Arie. Maar er zat geen systematiek in.

Medio jaren tachtig kwam daarin verandering. Telegraaf-journalist Peter R. de Vries was in 1987 een pionier met De ontvoering van Alfred Heineken. De ‘misdaadverslaggever’ tekende hierin het verhaal op van dader en flipperfanaat Cor van Hout, net als zijn partner Willem Holleeder een vrije jongen met losse handen. De Vries verkocht 200.000 exemplaren. Jaar in jaar uit noemden voetballers het steevast als hun lievelingsboek.

Bart Middelburg van Het Parool volgde in 1992 met De dominee over Bruinsma, een biografie waarin minder oog is voor jongensromantiek en meer voor rauw geweld. Waar De Vries bevriend raakte met zijn bron Cor van Hout – na diens liquidatie begin 2003 schreed hij pal achter de baar naar de teraardebestelling – gaat Middelburg meer te rade bij politie of justitie.

De Vries woekert met de dubbele moraal die hem eigen is. Soms heeft hij begrip voor de mens achter de misdadiger, dan weer etaleert hij heilige verontwaardiging. Hij staat daarmee symbool voor brede lagen van de bevolking. Middelburg en zijn collega Paul Vugts zoeken bijvoorbeeld in De oorlog in de Amsterdamse onderwereld meer naar structuren, die ook buiten het wereldje van belang zijn.

In de loop der jaren hebben zij meer en meer gezelschap gekregen. Onder anderen van Elsevier-redacteur Gerlof Leistra en het Vrij Nederland-duo Marian Husken en Harry Lensink. Leistra paart een encyclopedische kennis aan een wat toffe stijl, die ontleend lijkt aan het jargon van boeven én burgerpot. Husken en Lensink prefereren afstand, al kunnen zij het evenmin laten vrouwen ‘babes’ te noemen en advocaten soms ‘consiglieri’.

De rauw-romantische film The Godfather is nog steeds dé stilistische norm. Aan een stijl à la The Sopranos – een serie die door de combinatie van herkenbare kleinburgerlijkheid én niet aflatend geweld een veel pijnlijker beeld schept – waagt men zich nog niet.

Die romantische ondertoon blijkt ook uit het gretige gebruik van bijnamen en epitheta. Bijnamen die verwijzen naar een beroep of uiterlijke hebbelijkheid zijn uiteraard van alle tijden. Gerrit de Stotteraar (dief), Johan ‘de Hakkelaar’ Verhoek en Jan ‘de snor’ Femer (drugs): het klinkt onschuldig en vooral wat infantiel. Maar sinds de jaren zeventig komen ook verhevener bijnamen in omloop.

Daar moet meer achter zitten. Bij Aage Meinesz, de ‘meesterkraker’ klinkt waardering door. De inbreker met de thermische lans is toch maar een vakman, en nog geweldloos ook. Bij ‘Zwarte Joop’ de Vries (seks en gokken), Frits van de Wereld (seks, softdrugs en gokken) en Thea ‘godmother’ Moear (drugs), dochter van ‘Blonde Greet’ (idem), schemert mystiek door. Bodyguard André Brilleman daarentegen roept als ‘mean machine’ angst op. Dezelfde vrees voor professionele kilheid spreekt uit de bijnamen ‘Spic & Span’ voor het duo Sam Klepper en John Mieremet (drugs), die met Kees ‘koffie’ Houtman (drugs en vastgoed) het trio ‘De Denkers’ vormden. Niet te verwarren met Mink ‘denker’ Kok of met Klaas ‘dominee’ Bruinsma.

Romantisch ontzag of navenante angst: dat varieert in de misdaadlectuur. Maar op nagenoeg elke pagina dringt zich hoe dan ook respect op: in de betekenis van de straat, in de zin van ‘respect, of ik schiet’. En dat is gek. De maatschappij hunkert immers naar burgerlijke omgangsvormen, naar herwaardering van oude canons en nieuwe normatieve kaders. We willen ons op straat weer thuis voelen. Maar tegelijkertijd groeit de fascinatie voor lieden die juist lak hebben aan die normen en waarden. Het enige dat spoort met de algemene trend is dat allochtonen (Joego’s, Turken en Russen) in de true crime meedogenlozer en patseriger worden afgeschilderd dan autochtone misdadigers.

Is dit een paradox? De burgerij heeft al langer een ambivalente verhouding tot de boeverij. Sinds de Britse historicus en marxist Eric Hobsbawn in zijn boek Bandits de sociale bandiet bestempelde als een rebel in het spoor van Robin Hood, is er een neiging criminelen te politiseren. Het advocatenduo Adèle van der Plas en Pieter Herman Bakker Schut, dat zich in de jaren zeventig als advocaat had ingespannen voor de Rote Armee Fraktion, gaf daarvan eind 2000 blijk in een vraaggesprek met NRC Handelsblad. ‘Mensen die opereren op het raakvlak van wat normatief juist wordt geacht, interesseren me het meest’, aldus Van der Plas over haar cliënten in de drugshandel. ‘Zoals de overheid in Duitsland ten strijde trok tegen terrorisme, is nu drugshandel een excuus om totale controle uit te oefenen’, zei Bakker Schut, die vorig jaar overleed.

Dat de war on drugs een politieke kant heeft, is geen onzin. Maar dat wil niet zeggen dat drugsdealers zelf verhevener politieke doelstellingen hebben dan handel. Waarom dan toch die neiging om in misdadigers meer te willen zien? Omdat misdaad iets zegt over de aard van de maatschappij en de verhoudingen daar binnen.

Om te beginnen met de verhoudingen. Criminelen hebben een ambivalente relatie tot de reguliere maatschappij. Ze voelen bijvoorbeeld jaloezie voor én kijken neer op gewone burgers. Burgers leiden een geregeld leven en worden daarom gewaardeerd. Maar ze zijn ook schijtlijsters, die zich voor het minste of geringste laten koeioneren door de overheid. De crimineel definieert zich dus graag als ‘vrije jongen’ die van alles is, behalve een ‘burger’.

Omgekeerd is de verhouding evenmin eenduidig. De burger koestert geen minachting. Hij is eerder bang voor de zware jongen en kijkt soms tegen hem op. Terwijl hij keurig maar met tegenzin belasting betaalt, laat de misdadiger het geld brutaal hangen. Het kan zelfs nog ambivalenter. In de top van de criminele netwerken heffen ze via protectie hun eigen belasting. En ze hebben er een systeem met boetes waartegen geen bezwaarschrift is opgewassen.

De verhalen over afpersing en afrekening in de misdaadlectuur schetsen zo de rauwe natuurtoestand van elke samenleving zonder rechtvaardige overheid. Tegelijkertijd verzoenen ze ons met ons eigen suffe noodlot dat onlosmakelijk is verbonden met onze keurige gehoorzaamheid. Vandaar vermoedelijk die onblusbare neiging om hen steeds meer te voorzien van feodale rangen (‘drugsbaron’ en ‘pornokeizer’), of academische versierselen, als ‘denker’ en ‘dominee’.

True crime weerspiegelt echter ook het economische karakter van de maatschappij. Aage M. was een boef uit het industriële tijdperk. Ambachtelijkheid had toen nog status. En zijn slachtoffers waren anonieme kluisjes, net zo anoniem althans als de top van banken en bedrijven in die industriële maatschappij door het leven ging. Zwarte Joop kon vervolgens gloriëren in het entertainmenttijdperk van sex, drugs and rock-’n-roll. De Vries leverde in de diensteneconomie wat de hedonistische mens altijd al wilde maar nog niet mocht. Dat de seksbranche ook toen kenmerken van slavernij vertoonde, was nog geen gemeengoed. Eerst een joint en dan het podium van Casa Rosso op: het leek zo hip in die tijd van de ‘Satanskerk’ van exploitant Maarten Lamers, ooit regisseur van de musical Oh Calcutta.

Rond 1990 diende zich een nieuwe en vooralsnog laatste fase aan: in een netwerkmaatschappij is het woord logischerwijs aan netwerkcriminelen. Willem Holleeder was baas boven baas in deze wereld. Een vak hebben deze netwerkboeven niet. Ze zijn marketeers en managers. Ze tuffen op een scooter door de stad. Bellen hier eens aan, slaan daar eens iemand in elkaar. Ondertussen houden ze mobiel contact met hun leveranciers of afnemers in andere landen. Anders dan voor de klerk, die er voor op vakantie moet, is hun wereld grenzenloos. Voor geld is alles te koop, ook de dood van een concurrent. Ze worden in de misdaadlectuur niet voor niets ‘topcriminelen’ genoemd. Want iedereen die tegenwoordig een prestatie levert is top.

Dit type schurken roept identificatie op. De legale en gewone burger leeft namelijk ook in een netwerkmaatschappij. Maar die is hem te ingewikkeld en te ondoorzichtig. Je moet daar jezelf onderwerpen aan permanente heropvoeding en bijscholing. Bovendien is de beloning ongewis. In de netwerkmaatschappij wordt niets gegarandeerd. Een diploma heet er eufemistisch ‘startkwalificatie’.

Vrije jongens hebben geen last van dit soort beperkingen. Vrije jongens vertolken een kapitalisme zonder afgedwongen solidariteit en zonder geweldsmonopolie. Ze zijn meer tegen de staat dan welke libertijn ook. Behalve dan als het om de burgerlijke moraal gaat. Dan zijn de vrije jongens juist weer bekrompen. Dat zij verlangen naar vrijheid betekent niet dat anderen dat recht evenzeer hebben. Wie last heeft van Damslapers of krakers, die belt hen. Waarna ze met een knokploegje de Augiasstal komen schoonvegen. De vrije jongens doen zo wat wij niet durven of niet vinden deugen: voor eigen rechter spelen.

Hun radicale en gevaarlijke leven staat haaks op de gebonden grijsheid van onder het maaiveld. De middelmaat wil niettemin ook wel eens langs de rand leven, zich laven aan het fascisme van ‘vivere pericolosamente’. Maar die burgerij durft dat niet als puntje bij paaltje komt. Een dagje wildwatervaren en daarna zuipen, dat is al eng genoeg.

Die paradox is zo oud als de moderne maatschappij burgerlijk is. ‘Épater le bourgeois’: dat is de verdienste van de misdaadlectuur. Ze verzoent de burgerij met haar lot maar verbiedt niet te dromen van radicale vrijheid en rijkdom.

    • Hubert Smeets