En twee keer met haar vriendin

Hugo Claus keek naar binnen en Simon Vinkenoog richtte zijn blik op de buitenwereld. Ze waren nog jong, maar veel lag al vast.

Hugo Claus en Simon Vinkenoog op Capri, 1954 Foto’s uit besproken boek ‘Er is alleen jij, Simon, die klaagt, jankt om iets wat je niet aankan’ Hugo Claus en Simon Vinkenoog: Laat nooit deze brief aan iemand lezen. De briefwisseling tussen Hugo Claus en Simon Vinkenoog 1951-1956. De Bezige Bij, 496 blz. € 24,90

Hugo Claus en Simon Vinkenoog: Laat nooit deze brief aan iemand lezen. De briefwisseling tussen Hugo Claus en Simon Vinkenoog 1951-1956. De Bezige Bij, 496 blz. € 24,90

De cruciale observatie uit de correspondentie tussen Simon Vinkenoog en Hugo Claus staat in een brief van 28 januari 1954: ‘Jij bent meer gewend aan succes en ik aan ruzie’, schrijft Vinkenoog aan zijn Vlaamse kompaan na een moeizaam verlopen gezamenlijk bezoek aan Amsterdam.

De reactie van Claus is voorspelbaar, maar ook veelzeggend: ‘omdat ik een intelligent man ben, zie ik dat succes gemaakt wordt door een stelletje profiteurs. Lang heb ik gedacht dat daarachter nog een beïnvloedbare, beweeglijke massa: publiek schuilde. Dit is niet zo. Er is geen publiek, er zijn alleen 10 domme jongens die in kranten schrijven over een andere domme jongen.’ Waarna een exposé volgt over naar binnen en naar buiten leven en de beslotenheid van de schrijfkamer. Eerder had Claus zijn vriend al geschreven: ‘Bemoei jij je niet een tikje, een pointillistisch geurtje van een tikje te veel met de weerklank van wat je schrijft?’

Het is een tegenstelling die de correspondentie tussen deze twee schrijvende twintigers in de jaren vijftig beheerst en spannend maakt. Vinkenoog is altijd doende met de buitenwereld: hij vormt het hartelijke sociaal-literaire bindmiddel van de jonge Nederlandse schrijvers en kunstenaars die in Parijs wonen of eromheen klitten (Campert, Kousbroek, Andreus, Appel, Corneille), hij maakt een tijdschrift (Blurb), stelt een bloemlezing samen (Atonaal) en hij schrijft doorlopend artikelen die de zaak van de ‘experimentele’ poëzie bepleiten. Daarnaast is hij druk met het over de wereld zenden van knipsels, tijdschriften, boeken en pakken schrijfpapier – spullen die hij gratis kan versturen dankzij zijn baan bij het Parijse kantoor van de Unesco.

Vinkenoog schrijft ook wel, maar hij is snel afgeleid. Wanneer hij weer eens in een vergeefse polemiek beland lijkt te zijn, schrijft hij: ‘Nu weet ik wat ik te doen heb, niet meer over schrijven, maar schrijven.’ Een opmerking waarvoor hij per kerende post applaus krijgt van Claus: ‘eindelijk!’

Maar Claus kon ook streng zijn voor zijn vriend. Pijnlijk is zijn brief uit 1962 naar aanleiding van een vroege versie van Vinkenoogs debuutroman Zolang te water. Hij laat geen spaan heel van het manuscript: literaire foefjes, stereotiepe zinnetjes, geen sensibiliteit, ‘geen perceptie, aanvoelen van dingen, woorden, mensen. Er is alleen jij, Simon, die klaagt, jankt om iets wat je niet aankan.’ Zo gaat het twee bladzijden door. In zijn reactie zegt Vinkenoog het boek te zullen laten liggen. Hij voegt toe: ‘Een belangrijke vraag is natuurlijk voor dit mensje: hoe sta jij tegenover me?’ Op die vraag volgt geen antwoord. Overigens zou Claus twee jaar later wel aardige dingen zeggen over de definitieve (en gepubliceerde) versie van Zolang te water.

Dat Vinkenoog zo nadrukkelijk op de buitenwereld was gericht heeft zo zijn literair-historische voordelen. Zo bracht hij al meer dan een halve eeuw geleden, op 21 november 1957, een pak van 108 brieven van hemzelf en Claus naar het Letterkundig museum – het grootste deel ervan geschreven in 1953 en 1954, toen Claus in Italië woonde. Aangevuld tot 135 zijn die nu door Georges Wildemeersch van het Studie- en documentatiecentrum Hugo Claus zeer consciëntieus bezorgd.

Het belang van de uitgave schuilt in de eerste plaats in de literair-historische waarde: ze laat zien hoe Vinkenoog de jonge Nederlandse dichters als het ware samenbond en hoe een aankomende grootheid als Claus steeds meer zijn eigen gang ging. Over inhoudelijk-literaire zaken laten ze zich relatief weinig uit; zo komen Claus’ Oostakkerse gedichten enkele malen langs, maar vooral waar het gaat om hoe, waar en wanneer ze gepubliceerd zullen worden – niet om wat er in staat of wat Claus ermee voor ogen stond.

Claus en Vinkenoog schrijven vooral over het wel en wee van hun (Parijse) vrienden, onenigheden met uitgevers, het versturen van geld, de tijdschriftartikelen die zij elkaar toesturen en de vrouwen in hun bed. Dat laatste soms gevolgd door de vrouwen die de kamer binnenkomen wanneer ze met een andere vrouw in bed liggen (Vinkenoog) of in een licht pochende opsomming: ‘Vier keer gisteren in de namiddag met een meisje dat tennis speelt op twintig meter afstand en twee keer ’s avonds bijna onmiddellijk erna met haar vriendin, die het vulgairste Italiaanse dialect spreekt onder de zon, maar de warmste en zachtste vrucht heeft ooit aangeraakt.’ (Claus) De meeste brieven zijn minder gestileerd dan dit fragment, vooral Vinkenoog lijkt ze als een razende uit zijn schrijfmachine geramd te hebben: ‘Typ ik bedoel Lucebert vertelt veel verhalen, erg rustige spraakzame toch ja jongen.’ Wie niet beter weet zou er poëzie in zien.

Illustratief is dat de titel van het boek, Laat nooit deze brief aan iemand lezen, verwijst naar de vele schrijffouten die Claus in een brief van hemzelf vermoedde, en dus niet naar de inhoud. Al beklaagt Claus zich elders wel dat Vinkenoog de brieven aan te veel mensen laat lezen.

De correspondentie bloedt in 1955 en 1956 vrij snel dood. Claus woont niet langer in Rome en kan beter voor zichzelf zorgen waar het gaat om artikelen en informatie uit de Nederlandse literaire wereld, Vinkenoog verlaat Parijs en vertrekt naar India. Uit het boek wordt niet duidelijk hoe de verhouding tussen Claus en Vinkenoog na 1956 is verlopen, maar het lijkt aannemelijk dat zij persoonlijk uit elkaar zijn gegroeid zoals zij dat ook literair deden: Claus stierf dit voorjaar als internationaal gelauwerde gigant, Vinkenoog werd deze zomer tachtig als – in de eerste plaats – kleurrijk dichter. Al in een brief uit 1952 meldt hij trouwens al dat hij volgens sommigen ‘de risee van de Nederlandse letteren’ dreigt te worden. Dat levert hem een licht ontwijkend, maar toch opbeurend antwoord op: ‘In het geval van Groucho Marx bijvoorbeeld is het vernederend, lachwekkend niet de risee te zijn, niet Groucho Marx te zijn.’

    • Arjen Fortuin