Een zoenoffer voor het politieke bestel

Waarom zou een politicus per se schone handen moeten hebben? Soms moet hij zijn geweten laten spreken. Dat is ook in het belang van de democratie, betoogt Ger Groot.

Moslimactivist in de politiek Mohammed Bouyeri 2030: Kamerlid Mohammed Bouyeri (CDA) presenteert boek Oppenheimer, Ruben L.

De geknakte politieke carrière van Wijnand Duyvendak heeft alles van een klassieke tragedie. De directe oorzaak van zijn besluit als Kamerlid terug te treden ligt in de enigszins onbesuisde onthulling in de jaren tachtig betrokken te zijn geweest bij een inbraak in het ministerie van Economische zaken. De motieven waren – althans in de ogen van de milieubeweging – edel en Duyvendak leek daar altijd nog een beetje trots op. Dankzij de openbaarmaking van geheime beleidsstukken zou de bouw van een nieuwe kerncentrale in Nederland zijn verhinderd. In werkelijkheid had het afblazen van het atoomprogramma meer te maken met de ramp in Tsjernobyl dan met het Nederlandse actiewezen.

Zelfoverschatting lijkt ook aan de basis te hebben gelegen van Duyvendaks tactische fout die hem nu ten val heeft gebracht. Zijn onthulling moest de aandacht vestigen op het boek waarin hij zijn eigen werdegang beschrijft – en waarnaar nu ironisch genoeg reikhalzend wordt uitgezien. Succes behaalde Duyvendak dus ook hier, al mondde die werdegang uit in zijn eigen ondergang.

De gemeenschappelijke noemer van die twee gebeurtenissen is hoogmoed, de grootste zonde van de tragische held. Zijn hybris bracht hem tot misstappen waar hij zich soms maar half bewust van was, maar waarvoor hij gruwelijk werd gestraft. Ook Duyvendak verklaarde niets te hebben geweten van de poging tot brandstichting bij de voormalige topambtenaar Verberg, al kon hij zijn indirecte verantwoordelijkheid daarvoor – als redacteur van het krakersblad Bluf! – niet ontkennen. Ontsteld verklaarde hij pas nu van deze aanslag kennis genomen te hebben en bood hij zijn oprechte excuses aan.

Geloven we hem, nadat hij bij eerdere gelegenheden getoond had even pragmatisch te kunnen omspringen met de waarheid als met de moraal? In eerste instantie betreurde Duyvendak zijn illegale verleden vooral vanwege de averechtse uitwerking ervan. Hoewel hij tegelijk beklemtoonde dat de parlementaire weg de enige acceptabele is en hij deze weg ruim vijftien jaar had bewandeld, bleef er om zijn verklaringen een sfeer hangen van halfhartigheid en draaikonterij.

Duyvendaks verlies aan geloofwaardigheid en de imagoschade voor zijn partij vormden uiteindelijk de reden voor zijn terugtreden. Een crimineel, ja zelfs een politieke delinquent, zo klonk het hier en daar in de commentaren, hoort niet thuis in de Kamer maar in de gevangenis. Dat was overdreven. Een misdadiger zou Duyvendak pas zijn wanneer hij door de rechter was veroordeeld en dat lijkt gezien de verjaringstermijnen niet meer aan de orde.

Daarbij is echter alleen het juridische kader van het Kamerlidmaatschap in het spel. De werkelijke aanvaardbaarheid van een afgevaardigde wordt in een politiek proces aan heel andere factoren getoetst. Eerlijkheid en morele zuiverheid spelen daarbij een steeds doorslaggevender rol. Wie zou tenslotte zijn stem willen geven aan een politicus van wie men onder geen beding een tweedehands auto zou durven kopen, zoals eens in een Amerikaanse campagne tegen Richard Nixon werd ingebracht. In de toenemende moralisering van de samenleving, waarin ‘authenticiteit’ almaar belangrijker geworden is, is zo’n suggestie een krachtig wapen.

Maar of dat gelukkig is, is een andere zaak. Om te beginnen omdat dergelijke criteria de verkiezingsstrijd bijna vanzelf tot een spiegelgevecht maken. Het gaat meer om de schijn van oprechtheid dan om het gemoed dat daarachter schuilgaat. Het komt de geloofwaardigheid van de politiek niet ten goede wanneer kandidaten in de markt worden gezet op grond van een authenticiteit die zo overduidelijk door spindoctors wordt gemanipuleerd.

En ten tweede is het maar de vraag of eerlijkheid en recht-door-zee voor een politicus wel de hoogste deugden moeten zijn. Politiek is allereerst de kunst van het compromis en het haalbare. Ze moet zich dus altijd afgeven met het minder-dan-ideale en in een ingewikkeld proces van geven en nemen streven naar het beste resultaat. Morele getuigenis en schone handen spelen daarin wel een rol als laatste toetsingscriterium, maar meestal slecht in de marge van het feitelijke politieke proces.

En zo hoort het ook, anders zou er van regeren en wetten maken niets terecht komen. Het is dan ook een beetje vreemd wanneer Duyvendak nu het verwijt van achterbaksheid wordt gemaakt, omdat hij zijn inbraak pas heeft opgebiecht nadat de verjaringstermijn daarvan verstreken was. Even vreemd is de kritiek dat voor de geplaagde afgevaardigde indertijd vooral het resultaat van de milieuacties belangrijk was geweest. Had de toenmalige actievoerder niet principiëler moeten zijn?

Misschien wel. Maar evengoed zou men kunnen zeggen dat het juist een blinde Prinzipienreiterei was die Duyvendak indertijd tot zijn activisme bracht. Tegen een ‘immorele’ staat moet de burger de hogere moraal van het geweten laten spreken. Zo vonden de toenmalige actievoerders dat – en menig burger was het met hen eens.

Vormt de wet een absolute grens, zoals Duyvendak inmiddels haastig heeft bezworen? Toen hij zich allang tot de parlementaire legaliteit had bekeerd, schrok een politieke tegenstander als minister Zalm er evenmin voor terug de burger op te roepen tot ongehoorzaamheid jegens gemeentelijke overheden die hem met een te hoge belasting opzadelden.

Het gezag van de wet is dus enigszins elastisch – maar is de morele zuiverheid dat voor een politicus ook? Pleit, anders gezegd, Duyvendaks pragmatisme niet juist in het voordeel van de politicus die hij inmiddels geworden is? Het laat zien hoe ‘parlementair’ zijn inslag inmiddels is en met hoeveel succes zijn partij het wilde actiewezen heeft weten te integreren in een democratisch bestel.

Dat het niet altijd even verteerbare verleden daarbij soms voor onaangename verrassingen zorgt is onvermijdelijk, zoals in Duitsland voormalig minister Fischer heeft moeten ervaren. Het is in het belang van de democratie zelf dat zij in dat opzicht een zekere soepelheid betoont jegens voormalige zondaars, zonder hen onmiddellijk af te rekenen op hun verleden. Juist de ommekeer die zij in hun ontwikkeling hebben doorgemaakt is voor haar immers een grote triomf – en geruststelling.

Merkwaardig genoeg wordt Duyvendak nu echter voor de voeten geworpen dat hij té politiek geworden is en daarin komt het werkelijke dilemma van het politieke métier in het zicht. Want soepelheid, onderhandelingszin en de bereidheid tot op zekere hoogte ‘vuile handen’ te maken behoren tot de kerndeugden van het vak. Maar wanneer politici zich voor hun kiezers aantrekkelijk willen betonen, moeten ze dat alles als op toverslag loochenen, om zich een heel ander moreel blazoen aan te meten.

Iedere vier jaar (en ook regelmatig daartussenin) komt die discrepantie tussen de ‘eerlijke’ politicus en het ‘gekonkel’ van het métier hinderlijk tussenbeide. Op hun campagnes (in en buiten verkiezingstijd) stellen politici zich zo sympathiek, oprecht, toegankelijk en meegaand mogelijk op: allemaal zaken die ze als politicus nu juist níet moeten zijn. Het enige taboe dat inmiddels in de verkiezingscampagne geldt is dat van de Realpolitik – dat wil zeggen: van de politiek zelf, want een andere is er niet.

En het is precies op dit punt dat de tragiek van Duyvendaks carrière schuilt. Zijn niet geringe politieke talenten beantwoorden aan een andere moraal dan degene die het publieke ‘imago’ van een politicus eist. Dat geldt niet alleen voor hém, maar deze botsende moralen hebben in hem wel een uitgelezen voorbeeld gevonden. Tussen beide werd zijn carrière vermalen, als gevolg van een kleine tactische fout met verregaande gevolgen.

Zo werd Duyvendak niet alleen het spiegelbeeld van de antieke tragische held, maar is zijn lot ook exemplarisch voor de tweeslachtige aard van het politieke bedrijf. Naarmate dat laatste zich meer afhankelijk heeft gemaakt van een authenticiteitsimago dat zich door campagneteams zo goed laat verkopen, verloochent ze tegenover de burger de eigen aard van het vak. Wanneer het charmeoffensief en de verkiezingskoorts eenmaal achter de rug zijn, komt die discrepantie onvermijdelijk aan het licht.

Het dalende vertrouwen van de burger in de politiek komt dan ook niet voort uit de beruchte ‘kloof’ die beide van elkaar zou scheiden. De oneigenlijke criteria waarop politici zichzelf laten kiezen zijn daarvoor zelf verantwoordelijk. Van tijd tot tijd moet daarom een zoenoffer worden gebracht om de instabiliteit van het bestel te bezweren. De deugd triomfeert, maar nooit voor lang, want de twee politieke moralen blijven tegen elkaar in schuren. Veel valt daaraan niet te doen: ook dat behoort tot dit tragische bestel, dat dan onvermijdelijk af en toe zijn offers eist.

Ger Groot is filosoof en medewerker van NRC Handelsblad.

    • Ger Groot