Een consequent scepticus

De Franse filosoof Michel Foucault schreef om zichzelf te veranderen. Hij hekelde vooral universele pretenties, staatsgezag en politiemacht.

Michel Foucault Foto David Burnett Burnett, David

Paul Veyne: Foucault. Sa pensée, sa personne. Albin Michel, 233 blz. € 16,–

Nog steeds worden we van tijd tot tijd, met name vanuit conservatieve hoek, gewaarschuwd voor de Fransman Michel Foucault (1926-1984). Was hij inderdaad een gevaarlijk denker die de jeugd bederft met subversieve, anarchistische en relativistische praatjes – om over zijn perverse seksuele voorkeuren maar te zwijgen? Zelf was Foucault gewend aan zulke waarschuwende stemmen; soms leek hij er bijna behagen in te scheppen ongrijpbaar te blijven. Voor links was hij een bourgeoisdenker of neoconservatief, voor rechts was hij een extreem-linkse anarchist of, nog erger, een sadomasochistische homoseksueel.

Dat betekent niet dat zulke kritiek hem onverschillig liet: ooit wilde een collega-hoogleraar hem in de statige zalen van het Collège de France in Parijs de les lezen over het ondermijnende karakter van zijn ideeën, waarop Foucault hem uitmaakte voor ‘smeris’. Dat was meer dan een ondiplomatieke uitglijder: Foucault had een bijna fysieke afkeer van alles wat op staatsgezag of politiemacht leek. Deels valt die afkeer te verklaren uit de indruk die de deportaties van Joden uit zijn geboortestad Poitiers in de oorlog op hem hadden gemaakt. Ook discriminatie van homo’s had hij aan den lijve ondervonden. Als schooljongen werd hij uitgesloten en als student werd hij onder psychiatrische behandeling geplaatst. Zo raakte hij al vroeg bekend met de verdekte vormen van macht en normalisering die instituties als school en gezondheidszorg uitoefenen.

Foucaults hele werk richt zich op het blootleggen en bekritiseren van zulke vormen van macht; de band tussen zijn ideeën en zijn leven is uitzonderlijk hecht. Daardoor valt hij ook niet af te doen als een modieuze linkse denker van de generatie van 1968. Toen in dat jaar de studenten op de barricaden stonden, woonde Foucault zelfs helemaal niet in Parijs, maar als gasthoogleraar in Tunesië, waar politiek activisme veel grotere risico’s met zich meebracht dan in Frankrijk. Met woorden en daden, en niet zonder risico voor zichzelf, ondersteunde Foucault de oppositie. Beroemd is de zin waarmee in een van zijn boeken de veranderingen in zijn inzichten worden gerechtvaardigd: ‘vraag me niet wie ik ben en vraag me niet dezelfde te blijven. Laat de bureaucraten en de politie erop toezien dat onze papieren in orde zijn, maar bespaar me hun mentaliteit tijdens het schrijven.’

Algemener weigerde Foucault zich op enige identiteit (als Fransman, als links, als intellectueel of als homo) vast te laten leggen, en schreef hij zijn boeken juist om zichzelf te veranderen. Die veranderlijkheid en tegendraadsheid vormen een uitdaging voor Foucaults – inmiddels talrijke – biografen. Aan de bestaande biografieën, waaronder Didier Eribons uitstekende Michel Foucault (1984), en James Millers The Passion of Michel Foucault (1993), een weinig geslaagde poging om Foucaults werk te verklaren uit een hang naar drugs en extreme seks, voegt de historicus Paul Veyne nu een liefhebbend, persoonlijk en intellectueel portret toe.

Veyne en Foucault waren niet alleen jarenlang collega’s aan het Collège de France, maar ook goede vrienden; hun vriendschap werd getekend door groot wederzijds respect, en door kleine plagerijen over elkaars seksuele voorkeuren en andere hebbelijkheden; zo vroeg Foucault ooit aan Veyne hoe het kon dat die, ondanks zijn intelligentie en belezenheid, toch op vrouwen viel.

Door die persoonlijke invalshoek is Veyne’s werk niet alleen een toegankelijke inleiding tot, maar ook een hartstochtelijke verdediging van Foucault. Veyne spreekt de hoop uit dat hedendaagse en toekomstige geschiedenisstudenten eenzelfde inspiratie uit Foucaults boeken zullen putten als leden van zijn generatie uit filosofisch geïnspireerde historici als Marc Bloch en Lucien Febvre.

Voor tijdgenoten was Foucault moeilijk te plaatsen: hij was links, maar anti-marxistisch, zowel in theoretisch als in politiek opzicht. Ook was Foucault, anders dan veel denkers van zijn tijd, geen structuralist die mythes, modes en andere tijdverschijnselen ontleedde als even zo vele autonome tekensystemen. Veeleer was hij, volgens Veyne, een consequent scepticus, beducht voor elke vorm van dogmatisme – inclusief dogmatisch geloof in de Verlichting, vrijheid of mensenrechten.

Foucaults scepsis is echter niet nihilistisch of relativistisch: ze betreft geen historische feiten of gebeurtenissen. Anders dan voor sommige postmoderne denkers is het bestaan van Auschwitz voor Foucault geen betwistbare historische hypothese, maar een absoluut moreel uitgangspunt: de excessen van nazisme en stalinisme zijn volgens hem extreme uitingen van veel wijder verbreide moderne vormen van machtsuitoefening, die ook in liberale staten te vinden zijn.

Zijn respect voor historische feiten maakt Foucault volgens Veyne een onvermoede positivist: zijn scepsis treft geen feiten maar woorden, en met name grote woorden met universele pretenties, zoals ’mensheid’, ‘vooruitgang’, ’rede’ en ‘waarheid’. Foucault ontmaskert in zijn boeken zulke universele begrippen en universele uitspraken over de wetten van de geschiedenis als historisch veranderlijk, maar ook als verdekte aanspraken op macht.

Veyne leest deze afwijzing van universele woorden niet als een filosofische, dus universele, uitspraak (die zou zichzelf immers weerleggen), maar als een historische invalshoek. Voor de historicus Veyne is Foucaults nadruk op de historische veranderlijkheid van bijvoorbeeld seksuele identiteit niet meer dan vanzelfsprekend, zo schrijft hij in een samenvatting van Foucaults meest toegankelijke werk, de meerdelige Geschiedenis van de seksualiteit.

Ook wetenschappelijke waarheden komen en gaan. Zijn boeken leggen fascinerend bloot hoe waarheid slechts binnen en door een discours of geheel van uitspraken tot stand komt, en daar niet als een soort goddelijke of transcendente macht boven zweeft.

Maar anders dan marxistisch angehauchte auteurs reduceert Foucault evenmin wetenschappelijke waarheid tot ideologie, en daarmee tot onwaarheid: zo verwerpt hij volgens Veyne ook studies als Edward Saids roemruchte Orientalism, dat probeert oriëntalistische kennis van de islamitische wereld te ontmaskeren als niet meer dan een ideologische rechtvaardiging van koloniale heerschappij.

Ooit schreef Foucault dat al zijn boeken uitgaan van persoonlijke ervaringen. In navolging hiervan benadrukt Veyne dat Foucault vooral te werk gaat als een literair auteur: hij zoekt steeds naar nieuwe visies op schijnbaar bekende ervaringen.

Veyne suggereert ook dat Foucaults sceptische, anti-dogmatische houding zich steeds richt op het historisch unieke en onverwachte. Dat maakt zijn genealogische geschiedenis tot een filosofische kritiek van de actualiteit: door zijn ontmaskering van de schijnbaar universele verworvenheden van het heden staat Foucault meer dan anderen open voor de onverwachte ontwikkelingen van de toekomst.

    • Michiel Leezenberg