De zachte wetten die het mensdom leiden

Adalbert Stifter: Kleurige stenen. Vertaald door Wilfred Oranje. Atlas, 317 blz. € 34,90

Adalbert Stifter: Kleurige stenen. Vertaald door Wilfred Oranje. Atlas, 317 blz. € 34,90

‘Onschuldige dingen’ noemt Adalbert Stifter de zes verhalen in het voorwoord bij de bundel Kleurige stenen, verschenen in 1853. Ze zouden bedoeld zijn voor ‘jonge toehoorders’. Toch is het verstandig om de fonkelend nieuwe vertaling die Wilfred Oranje verzorgde weg te houden van de beoogde doelgroep. Het jonge publiek zou zich maar bedrogen voelen. De jongeren die Stifter voor zijn streng moraliserende proza in het vizier heeft, zouden stootjes moeten verdragen die zelfs bij volwassenen hard aankomen.

Zo is het hoogtepunt in de afdeling kindermisbruik het verhaal ‘Turmalijn’, waarin een jarenlang door haar vader opgesloten meisje figureert. ‘Turmalijn’ is een ‘heel donker’ verhaal, waarschuwt Stifter voor alle zekerheid. Dat het zich, zoals hij benadrukt, ‘in voorbije tijden heeft toegedragen’ hindert dezer dagen zwartkijkerige Oostenrijk-critici niet om in alle ernst te beweren dat recente misbruikzaken rond Natascha Kampusch en Josef Fritzl bij Stifter (en andere Oostenrijkse boegbeelden) allang zijn ‘voorgetekend’ – en dat dit vermoedelijk iets akeligs over ‘de afgrondelijke Oostenrijkse ziel’ onthult.

Er zijn betere redenen om Stifter te lezen. Het oogmerk van deze biedermeier-auteur is de wereld als Gods schepping te verheerlijken. Diens heilige ordening kan pas op waarde worden geschat wanneer emoties en zucht naar roem en grootsheid binnen de perken worden gehouden. Stille bescheidenheid dient de leidraad te zijn. Bloemrijke vergelijkingen zijn dus in deze opvatting een zonde, maar toch bereikt Stifter een bijna magische plasticiteit in zijn taalgebruik, bijvoorbeeld bij de precieuze beschrijving van een zich aankondigend noodweer: ‘Aan de hemel stonden wolken die een muur vormden en met de bergen versmolten, zodat alles in een lieflijke waas gehuld was en de stoppelvelden nog helderder en schitterender glansden en oplichtten.’

Dit uitzonderlijk karig en streng klinkende proza herbergt karakters die hun plaats kennen. Toch vindt Stifter altijd dat ene personage dat ongezonde ambities koestert. Gespiegeld wordt die innerlijke wanorde door een uitbarsting van natuurgeweld. Op zulke momenten worden de aanvankelijk tamme beschrijvingen onvergetelijk; het verhaal gaat op de loop richting catastrofe. Met de moed der wanhoop klampt de auteur zich vast aan een observatiekunst die – vooral in de Oostenrijkse letteren – vaak is geïmiteerd, maar nooit is geëvenaard.

In het voorwoord stelt Stifter dat de verhalen tot taak hebben ‘de zachte wet… waardoor het mensdom wordt geleid’ te ‘doorgronden’. Wat je vooral bijblijft, is de onderhuidse angst die als een basso continuo ritme en sfeer van het proza bepaalt. Betoverend gebeurt dit in het kerstverhaal ‘Bergkristal’, waarin twee peuters gedurende een sneeuwjacht verdwalen in het gebergte. Dat de auteur expliciet aangeeft zich liever te vermeien met ‘het waaien van de lucht, het ruisen van het water, het groeien van het graan’ en ‘het schitteren van de hemel’ is vooral te verklaren als een hopeloze poging tot bezwering van de chaos.

    • Peter Veldhuisen