De vloed van de poëzie laat zich niet stelpen

Waarde Gerrit,

Ah! Met snert met worst is niks mis; ik ben zelf ook een liefhebber (je nostalgie wint het dus eveneens van je romantiek).

Een ieder voegt zich dan bij een berookten kok, /Zijn tranende oogen, met een’ rand als van scharlaken; / Doen u de daagsche snert, als regte knapkoek smaken, / Het soupje is ook als snert, gort, ’s ochtends voor ’t ontbijt, / Met boter van ’t randsoen zeer smakelijk toebereid.

Maar mij wacht op het einde tevens couscous met lam en groenten of een goede tajine met kip en olijven (geen pruimedanten voor mij): het voordeel van biculturaliteit:

En vlees met vet en met/ schalen van malse schaap./ En eieren in een braadpan in olie/ zoet van vettigheid./ En het vel van een geroosterd/ kuiken in overdadig klaarboter./ Wie redt mij – ik offer mij voor hem op – / van deze honger en armoedigheid?

(Pas na mijn vaders dood, leerde ik dat hij een olijfgaard heeft achtergelaten in de Rif, waarvan elk jaar olie wordt geperst. Mijn moeder verblijft nu in Marokko en zal mij vijf (5) liter brengen: de olie is zoet, sterk van geur, vettig en, tja, heel Marokkaans. Het geeft de herinneringen aan mijn kindertijd in dat land en mijn gerechten geur en smaak. Een mooiere erfenis kan men zich niet wensen.)

Nu is er echter een poëtische ader bij mij geopend en ik kan de vloed niet stelpen, dus ik ga nog even door. Ken je de dichter Theo. Marzials (1850-1920)? Om even over vliegen verder te gaan, hij schreef The Gallery of Pigeons, één lang vliegend gedicht:

Hyüeèps, Hyüeèps, Hyüeèps, Oho!

Out, my pretties! Ho! my pretties!

En dan:

Fleck,/ A speck,/ I’ the cloud of gold;/ Over the wold,/ The rosy wold,/ Over the hill, / The purple hill,/ A growing group!/ A swirl, a swoop!

Je kunt dit poëem vergelijken met ‘De gierzwaluwen’ van Gezelle, maar deze regels doen mij altijd denken aan de regels van Gossaert (hij weer, ja):

Ver langs de hillen, ver door de dillen, een/ Zwerveling peep ik ’t liedje van lieverleên:// Wie die het hoorde? // Wie dien ’t bekoorde?// Mijn lied is voor de ///stilten alleen.

Jij kloeg over het gebrek aan een oorspronkelijke stem in de hedendaagse poëzie; welnu, er is wel een zo’n stem en die is Pieter Boskma. Lees deze regels eens:

Begon een randje licht daar toch de eersteling te spelen! / en had een staal van kleur bij zich alle alle alle. […] begint een ronde duisternis toch aan de boeg te knagen! En heeft geen taal meer nodig en der duizenden tinten gene. / Trad je uit het huizendoek het bomendoek de wateren / en veegde je gezicht af aan het mijne mijne mijne.

Genoeg gevlogen. Misschien ligt zwemmen je beter? De al genoemde Marzials heeft dit in het gedicht over een forel (en ja: Gezelles ‘Het Schrijverke’ komt in herinnering: leg beide gedichten eens naast elkaar):

O gay troutlet, that runs in the river, // With flicker of silver and ripple of weeds, / And rustle of rushes and larches a-quiver// On waters that eddy round eddying reeds.

Als luchtvliegen niet lukt, dan maar waterzweven. Ik heb nu, behalve uit het Arabisch, niet vertaald, noch heb ik bepaalde Nederlandse woorden verklaard. Dat heb jij niet nodig en de andere lezer wordt aan het werk gezet – of niet.

Liefs,

Hafid

    • Hafid Bouazza