De kikker van de conjunctuur voelt zich nog uitstekend

De nulgroei in Nederland botst met het gevoel dat er nog weinig mis is met de economie. Traagheid speelt een grote rol bij de gevoelstemperatuur van de conjunctuur.

Crisis, welke crisis? Gisteren bleek dat de Nederlandse economie in het tweede kwartaal is gestagneerd, maar ogenschijnlijk is daar nog weinig van te merken. Het gaat misschien wel mis, maar het voelt nog best goed. De statistiek lijkt zich niet te voegen naar de indrukken in het dagelijkse leven.

Andersom werkt dat ook zo. We hebben met 2006 en 2007 zoete jaren achter de rug, maar nu gaat het minder, zei de woordvoerder van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gisteren. Menig burger zal zich opnieuw achter de oren krabben. 2006 een zoet jaar? Had Nederland toen niet nog steeds te maken met de naweeën van de bijna-recessie van begin deze eeuw, en kregen we nog vorig jaar niet het zuur van het kabinet-Balkenende voor de kiezen?

Toch heeft het CBS groot gelijk. 2006 was een zeer goed economisch jaar met een groei van 3,4 procent, en 2007 ook, met een groei van 3,5 procent. Alleen loopt de beleving van zulke voorspoed vaak flink achter bij wat er in werkelijkheid gebeurt. Bekend is het voorbeeld van de Amerikaanse verkiezingen in 1992, waarbij Bill Clinton de zittende president George Bush versloeg met de slogan: It’s the economy, stupid! De Amerikaanse recessie van destijds was al ten einde, en dat zou ook uit de cijfers blijken. Maar het publiek voelde dat anders.

De relatie tussen economische groei en de beleving daarvan is complex. Dat heeft verschillende oorzaken. In sommige opzichten loopt de burger soms vóór op de cijfers: het consumentenvertrouwen bleek vorige maand in een recordtempo te zijn geduikeld, en liep daarmee vooruit. Maar consumenten reageerden vooral op de oplopende inflatie. En uit de deelvragen viel af te leiden dat de burger vooral vond dat het met de economie als geheel slecht ging, slechter dan met hemzelf.

Dan is er nog een speciale statistische omstandigheid. In 2007 maakte de economische groei een versnelling door in de loop van het jaar. Dat heeft tot gevolg dat de hoogte van het bruto binnenlands product in 2008 zich gunstig laat vergelijken met die in 2007. De economie hoeft dit jaar van kwartaal op kwartaal niet zo gek hard te groeien om, in een vergelijking met dezelfde periode vorig jaar, toch heel fraai te ogen. Dat was gisteren te zien: van kwartaal op kwartaal bedroeg de economische groei in het tweede kwartaal nul. Maar ten opzichte van vorig jaar was de groei nog steeds een heel mooie 2,8 procent.

De voornaamste reden dat het gevoel vaak achterloopt bij de conjunctuur ligt dichter bij de consument. De overheidsfinanciën reageren vrij traag op conjuncturele wisselingen. Dat betekent dat er pas bezuinigd wordt als de economie al langere tijd in mineur is, en zelfs als de conjunctuur alweer omhooggaat. Die bezuinigingen voelt de burger in zijn portemonnee. De overheidsinkomsten zijn gevoelig voor belastinginkomsten, die met vertraging reageren op wat burgers en bedrijven verdienen. De uitgaven variëren bovendien sterk met de werkgelegenheid, in de vorm van meer uitkeringen.

Bij dat laatste is het verschil tussen gevoel en werkelijkheid misschien nog wel het meest expliciet. De werkgelegenheid reageert met een grote traagheid op de conjunctuur. Werkgevers willen, en kunnen, hun personeel niet meteen ontslaan als het tegenzit. Juridisch ligt het lastig, en gaat er enige tijd overheen. Maar ook praktisch is er een weerstand tegen het nemen van snelle maatregelen. Het heeft veel ondernemingen, zeker nu er een krapte op de arbeidsmarkt is, grote moeite gekost om het juiste personeel aan te trekken. Zij zullen geneigd zijn om zo lang mogelijk af te wachten of de conjuncturele dip klein en tijdelijk is, of juist ingrijpend en langdurig.

Dat is omgekeerd ook terug te zien bij de ontwikkeling van de werkgelegenheid als de economie herstelt. Ondernemers zullen in dat geval aarzelen om nieuw personeel in dienst te nemen.

Dat is te zien aan de conjunctuur sinds 2000. Terwijl de economische groei piekte aan het begin van dat jaar, en daarna begon in te zakken, begon de werkloosheid pas twee jaar later te stijgen. De conjunctuur begon eind 2003 met het herstel, maar pas in de loop van 2005 begon de werkloosheid weer terug te lopen. Die traagheid kan ook nu optreden: de werkloosheid bedraagt nog steeds slechts 4 procent. In het tweede kwartaal, zo berichtte het CBS woensdag, bleef het aantal vacatures op recordhoogte. Het vuur is aan onder de pan water waarin de kikker zich bevindt. Maar het beestje voelt zich nog uitstekend.

    • Maarten Schinkel