Cricket biedt altijd troost

Dit boek van een Ierse, in Amerika woonachtige auteur, is niet alleen op de longlist geplaatst voor de Man Booker Prize, maar is ook aan beide zijden van de oceaan al uitgeroepen tot de beste 9/11-roman. De lezer zal tot zijn opluchting ontdekken dat het veel meer is dan dat. Het is een prachtige variant op het thema ‘op zoek naar de Amerikaanse Droom’, het is het relaas van een gespannen trans-Atlantisch huwelijk – en ook nog een boek over de schoonheid van de cricketsport. O’ Neill slaagt als auteur op alle drie terreinen, maar op het laatste wel heel spectaculair. July 30, 2008, New York, New York, USA: Irish born novelist and non-fiction writer, Joseph O'Neill travels to Staten Island to play cricket from his New York City home where he lives with his wife, Vogue editor Sally Singer, and their three sons. O'Neill is the author of three novels, the most recent of which, Netherland, was published in May 2008 and was featured on the cover of the New York Times Book Review where it was called, Polaris / Hollandse Hoogte

Joseph O’Neill: Netherland. Fourth Estate, 247 blz. €24,95

Dit boek van een Ierse, in Amerika woonachtige auteur, is niet alleen op de longlist geplaatst voor de Man Booker Prize, maar is ook aan beide zijden van de oceaan al uitgeroepen tot de beste 9/11-roman. De lezer zal tot zijn opluchting ontdekken dat het veel meer is dan dat. Het is een prachtige variant op het thema ‘op zoek naar de Amerikaanse Droom’, het is het relaas van een gespannen trans-Atlantisch huwelijk – en ook nog een boek over de schoonheid van de cricketsport. O’ Neill slaagt als auteur op alle drie terreinen, maar op het laatste wel heel spectaculair.

Toch is de verwijzing naar de aanslagen van 9/11 niet helemaal irrelevant – en ook niet sentimenteel uitgewerkt zoals vaker de laatste jaren. Het snel afnemende gevoel van saamhorigheid na de gebeurtenis, het instant-slachtofferschap dat sommige inwoners vertoonden, de zenuwachtige hondsheid van sommige overheidsdienaren: het schemert goed zichtbaar door het verhaal heen.

De ramp dwingt de verteller, de Nederlandse equity analyst Hans van den Broek, en zijn vrouw Rachel naar mid-town Manhattan te verhuizen – en uiteindelijk naar het funky Chelsea Hotel. En daar blijkt de gebeurtenis een zwakke plek geraakt te hebben in hun verbintenis, die niet bestand blijkt tegen Rachels vrees dat een volgende aanslag op Times Square zal plaatshebben, om de hoek van haar kantoor. Ze besluit terug te gaan naar haar vaderland, Engeland, en neemt hun enige kind mee. Toch overleeft het huwelijk de frequente trans-Atlantische bezoeken van Hans op het nippertje.

Eerder in zijn boek maakt de auteur ons deelgenoot van het lot van de werkelijke hoofdpersoon, een uit Trinidad afkomstige hustler genaamd Chuck Ramkissoon: die vindt zijn einde met zijn handen op zijn rug gebonden in een kanaal in Brooklyn. Dat lijkt verrassend, want Chuck is weliswaar een hustler, maar wel een met een droom . Hij wil een gigantisch cricketstadion bouwen in Brooklyn.

Dat is al een ongewoon uitgangspunt voor een verhaal: je kan het als de droom van een immigrant zien wanneer hij een baseball-arena wil neerzetten, want cricket is een marginale sport in de VS. Maar juist omdat het marginaal is, voert O’Neill ons langs plekken in de New Yorkse buitengewesten die tot even verrassende observaties als inzichten voeren.

Chuck wordt beslist niet alleen door hebzucht en grootheidswaan gedreven: hij heeft ook grootse ideeën over hoe deze sport beschaving kan brengen in een op drift geraakte samenleving. Immers, ‘alle mensen, Amerikanen of wie dan ook, zijn op hun meest beschaafd wanneer ze cricket spelen.’ Hoe onwaarschijnlijk het ook lijkt dat hun gedeelde passie voor cricket Hans en Chuck tot vrienden maakt, en dat van den Broek zelfs gevaarlijk ver wordt meegesleept in Chucks schimmige operaties, O’Neill overtuigt zijn lezer goeddeels van die beschavingsideeën.

Een post-9/11-roman is dit boek alleen in de zin waarin álle romans die na die datum zijn verschenen dat zijn. Expliciet is het hier alleen aanleiding tot één memorabele scène. Tijdens een dinner-party in Engeland maakt een van de Britse gasten de opmerking dat de aanslagen ‘not such a big deal’ waren, ‘als je nagaat wat er sindsdien gebeurd is’. Hij refereert aan de hoeveelheid doden in Irak, veronderstelt Hans, die het argument begrijpt en er zelfs mee moet instemmen. Maar toch ontsteekt hij in een woedeaanval, die hoofdzakelijk wordt aangestoken door het besef dat hij als Nederlander ‘is uitgesloten van het leveren van commentaar op enige andere plek dan Nederland’.

De Nederlandse lezer zal, misschien enigszins tot zijn verbazing, ontdekken dat de herinnerde scènes uit Hans’ Nederlandse verleden al met evenveel poëtische precisie geschreven zijn als die over Manhattan (zelfs de grammatica en Nederlandse woordkeuze zijn perfect!) Maar toch is het vooral in deze scènes dat O’Neill zich wat te veel laat gaan op zijpaden die verhaal noch karakterontwikkeling veel verder helpen. Veel personages die zijn leven, in heden of verleden, binnendrijven, verdwijnen al even terloops – zoals de vrouw die hem, in zijn bed in het Chelsea Hotel, even nederig als beleefd vraagt of hij haar met zijn broekriem wil afranselen. En de Turkse weirdo, een andere passant in het Chelsea, is ervan overtuigd dat hij een engel is en zich dan ook dienovereenkomstig kleedt. Jeroen is de laatste gezelschapsheer van zijn moeder in Den Haag. Je zou wensen dat er wat meer draden bij elkaar kwamen, maar deze ontmoetingen benadrukken alleen Hans’ gevoel van onthechting in zijn vrijgezellenperiode. En ook dat is een verdienste.

Hoewel ik een licht gevoel van irritatie niet altijd kon onderdrukken wat betreft de onafheid van dit mozaïek, toch overheerst een grote bewondering voor de manier waarop O’Neill zulke diverse thema’s in een gelijk timbre weet samen te voegen. Hij schrijft een prachtig proza, dat maar heel soms iets te verwrongen is, en veel vaker lenig, beeldend en intelligent. En uiteindelijk het mooist over de cricketsport die overduidelijk zijn grote passie is. Er zijn allerlei gedaantes waarin hij zijn vroegere zelf ziet, zo laat O’Neill Hans van den Broek overwegen, maar er is er maar één waarmee hij zichzelf nog steeds identificeert, ‘de jonge man die honderd runs scoorde in Amstelveen met een werveling aan cuts, die een vangbal maakte in duikvlucht bij de tweede slip in Rotterdam, die met geluk een hat trick maakte op de Haagse Cricket Club [...], die momenten zijn in mijn brein geëtst als seksuele herinneringen, altijd door mij oproepbaar en in staat me uit de slaap te houden, gedurende die lange nachten in het hotel als ik bescherming zocht tegen de meest berouwvolle gevoelens [...].’ Dat is iets, zo lijkt hij te willen zeggen, waaraan ook 9/11 niets heeft kunnen veranderen.

    • Jan Donkers