Alles werd schrijven en schrijven alles

beeld Solko Schalm en Wibbine Kien Schalm, Solko;Kien, Wibbine

Lieve Hafid,

Die snert met worst uit het gedicht had weinig met romantiek te maken, en al helemaal niets met nostalgie – dat ik het een ijzersterke regel vond, kwam door mijn verbazing over de poëtische gebruiksmogelijkheid van zaken die traditioneel voor onpoëtisch worden gehouden. Die verbazing was toentertijd spontaan en nog ongearticuleerd – later zou ik ontdekken dat er een heel verhaal aan vastzat en dat er verderop een schatkamer klaarstond met poëzie over het getal nul, korsetten, vlooien, pispotten, muggen, telramen en draaimolens.

Ik had die voorliefde voor onbenulligheden nodig, werkelijk nodig, als redmiddel tegen het zweven, de tranen, de sentimenten, de opdringerige raadselachtigheden, de oude koeien uit de sloot en de zo verpletterend oninteressante waarheden van teeldelen en doodkist.

Banale dingen zocht ik om de banaliteiten buiten de deur te houden. Noem het homeopathie.

Dat ik een verstandig mens zal worden zal wel altijd uitblijven. Maar je kunt trucjes leren. Elke driftkikker kan, als hij het toneel opstapt, voor koude kikker spelen. Ik zou graag rustig en evenwichtig in elkaar willen zitten. Ik ben te snel verliefd, te snel geprikkeld, te snel beledigd, te snel gebrouilleerd, te snel meegesleept, te snel vergevingsgezind en, vooral, te snel sentimenteel. Dat beschouw ik als de gevaarlijkste weeffout. Daar moet uit alle macht tegen opgetreden worden.

Snert met worst.

Amuletten zijn die woorden, sjibbolets, anders niet.

Duiveluitbanners, prikkeldraad.

Ach, en men moet dichter zijn, en men moet engel zijn, en men moet weg van de aap die het liefst op de stoep zit te niksen. Men moet zo nodig mens zijn. Ik ontkom niet aan mijn weeffouten. Ik ben begonnen met schrijven uit baldadigheid, omdat ik het stoer vond staan en omdat ik indruk wilde maken op kandidaat-vriendjes. Ik heb het schrijven volgehouden omdat ik mijn weeffouten alleen de baas kon en er zelfs enig genot aan kon ontlenen door ermee te spelen, door het randje op te zoeken, de paradox en het schemergebied, door te doen alsof ik bleef haken in het prikkeldraad en door zout in de wonden te strooien. Als een hond in een circus leerde ik er steeds kunstjes bij. Alles werd schrijven en schrijven werd alles. Elke regel, elk krabbeltje, elke alinea, elke gedicht en elk mopje proza droeg als een bouwsteen bij tot mijn burcht.

Kon ik maar met één tovergebaar een burcht bouwen... Op zeker moment resteerde er geen andere weg meer. Ik beween mijn gemiste kansen. Wat had ik kunnen worden? Een haringboer? Een predikant? Of, stel je de zaligheid voor, een handelaar in oude boeken, zich verschuilend in het halfduister van zijn winkel?

Mijn verhouding tot poëzie is een haat-liefdeverhouding. Ik heb zo het vermoeden dat er iets bijzonders aan de hand is met poëzie, al weet ik niet precies wat. En tegelijk vertrouw ik de poëzie voor geen cent.

Je vrolijkt me gelukkig op met aantrekkelijke poëzie. Veel Hyüeèps! en Oho! wil bij mij altijd helpen. Als ik componist was componeerde ik alleen atonale ketelmuziek.

Ook heb je het over het voordeel van de biculturaliteit. Ik mag toch hopen dat dit voordeel – knapkoek en couscous – niet alleen gastronomisch van aard is? Ik kan hier, hurkend te midden van mijn olijfgaard, alleen maar kwetteren over snert met worst. Omgekeerde Albert Cuypmarkten vind je hier niet. Toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat biculturaliteit op meer berust dan op liberale lekkerbekkerij alleen. Toch vrees ik dat er wel degelijk iets bestaat als de Verschrikking van de Monocultuur en de Genade van de Monocultuur. Geef daar eens antwoord op.

Zoals een ander van een grassprietje moet niesen, zo krijg ik bij elke introspectie onmiddellijk behoefte aan iets maatschappelijks. Je merkt het.

Wees omhelsd, je mede-olijfgaardenier,

Gerrit

    • Gerrit Komrij