Oude hardlopers blijven gezond

Oude hardlopers zijn geen doodlopers. Althans niet snel. Vijftigplussers die hardlopen, hebben een 40 procent lagere kans om in een bepaald jaar te sterven dan leeftijdgenoten die niet hardlopen. En van handicaps die het dagelijks leven bemoeilijken, hebben die oudere hardlopers gemiddeld twaalf jaar later last dan de niet-renners. Dat blijkt uit onderzoek van Stanford University dat al ruim twintig jaar duurt en maandag is gepubliceerd in de Archives of Internal Medicine.

In 1984 vroegen onderzoekers aan leden van de 50+ Runners Association of ze wilden meedoen aan onderzoek naar gezond oud worden. 538 mensen van (toen) 50 tot 72 jaar oud deden mee. De 423 niet-hardlopers die als controlepersonen meededen, waren hoogopgeleiden uit het universitaire personeelsbestand. Jaarlijks vulden de deelnemers een vragenlijst in.

Van de hardlopers overleed tot nu toe 15 procent, van de niet-lopers is al 34 procent gestorven. De ‘lopers’ – nu allemaal rond de tachtig – rennen gemiddeld nog 76 minuten per week. Dat was 240. De niet-renners daalden van 25 naar 1 minuut per week.

Wel is er sprake van zelfselectie: mensen die al gehandicapt of ongezond zijn, zullen niet snel op oudere leeftijd nog hardlopen. Maar de onderzoekers deden er alles aan om die verstoring te omzeilen. De controlepersonen waren aan het begin van de studie bijvoorbeeld ook erg gezond, en ze waren hoogopgeleid.

In de praktijk zal het verschil tussen hardlopers en niet-hardlopers nog wel groter zijn, schrijven de onderzoekers. Het gaat er om dat alle redelijk gezonde mensen kunnen kiezen voor een leefstijl waar hardlopen in past.