In de Waterkubus is Pieter de gek die als enige overbleef

Pieter van den Hoogenband eindigde zijn carrière met een vierde olympische finale.

Ook tussen de krachtpatsers is hij nog steeds wereldtop.

Vlak Pieter van den Hoogenband nooit uit op het moment dat de Olympische Spelen zijn begonnen. Als bijna geen ander kan hij zichzelf opladen zodra het olympische vuur is ontstoken. Nagenoeg onzichtbaar was hij in de aanloop naar ‘Peking’. Steeds meer zwemmers streefden hem de afgelopen maanden voorbij.

Maar gisterochtend was hij er weer, in de Waterkubus van Peking. Met een persoonlijke toptijd (47,68), voor het eerst sinds acht jaar, zwom Van den Hoogenband zich naar zijn vierde achtereenvolgende olympische finale op het koningsnummer, de 100 meter vrije slag. Geen zwemmer slaagde daar eerder in. „De ultieme olympiër”, noemde zijn coach Jacco Verhaeren hem gisteren. „De manier waarop hij heeft gezwommen is subliem. Ik ben hier heel trots op. Ik denk dat hij met deze prestatie veel respect afdwingt.”

De unieke reeks van Van den Hoogenband betekent ook dat hij vanochtend om 4.49 uur Nederlandse tijd in het zwemstadion van Peking opnieuw zijn olympische titel mocht verdedigen, die hij voor het eerst in 2000 (Sydney) won, en in 2004 (Athene) prolongeerde. Vanmorgen vroeg werd duidelijk of zijn grote droom, als eerste zwemmer in de olympische geschiedenis een zwemnummer drie keer op rij winnen, is uitgekomen.

Van den Hoogenband was opgelucht na de halve finales. „Ik ben ontzettend blij dat ik keer op keer heb bewezen dat ik bij de wereldtop hoor”, zei hij een uurtje na zijn race. „De medefinalisten van Atlanta zijn er niet bij, die van Sydney niet, en zelfs de jongens die in Athene met mij in de finale stonden zijn er niet meer bij. Alleen ik, zei de gek, is overgebleven. Dat is erg mooi om mee te maken.”

Van den Hoogenband verbeterde zichzelf gisterochtend in Peking voor het eerst sinds zijn legendarische race (47,84) in de halve finale in Sydney, en plaatste zich als derde voor de finale van vanochtend. Maar de Australiër Eamon Sullivan en Alain Bernard uit Frankrijk begonnen aan de race als de favorieten. Bernard zwom gisteren in de eerste halve finale weer eens een wereldrecord (47,20), waarna Sullivan in de tweede halve finale met een fenomenale 47,05 het wereldrecord heroverde. „De gouden medaille is ver weg”, zei Van den Hoogenband gisteren over zijn kansen in de finale. „Er is een nieuw tijdperk aangebroken in het sprinten. Ik wil gewoon een goede race zwemmen.”

De manier waarop Van den Hoogenband zijn race opbouwt – gedoseerd, met een versnelling in de laatste vijftig meter – stamt nog uit de tijd van zijn grote voorbeelden en zijn voorgangers, de Rus Alexander Popov en de Amerikaan Matt Biondi. Verhaeren: „Pieter zwemt zoals hij het geleerd heeft. Nu maken de sprinters de dienst uit. Vroeger stierven die af na tachtig meter, maar nu kunnen ze die snelheid vasthouden. We zitten in een nieuw tijdperk.”

Ondanks de stormachtige opkomst van krachtpatsers als Bernard en Sullivan is Van den Hoogenband, óók als dertigjarige, volgens Verhaeren nog steeds „veruit de snelste zwemmer” van het veld. „Hij verliest het op starten en keren. Dat is bekend, maar desondanks is hij twee keer olympisch kampioen geworden.” Verhaeren ziet in Peking een andere Van den Hoogenband dan hij bij vorige Spelen zag. „Vergeleken met Athene en Sydney is hij meer ontspannen.”

En als de finale eenmaal op het programma staat, is de beste zwemmer uit de Nederlandse geschiedenis het meest in zijn element. „Hiervoor heb ik al die jaren getraind, afgezien, vele offers gebracht. Het was het weer waard. Dat je heerlijk in het water ligt, lekker zwemt, en dan in de tweede baan gruwelijk gas geven. Dat is het mooiste wat er is: op het belangrijkste moment toeslaan en de olympische finale zwemmen.”

    • Rob Schoof