De cynische burger

Politici beloven tegen beter weten in meer dan ze kunnen waarmaken, denkt 93 procent van de Nederlanders blijkens het Nationaal Kiezersonderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het is een verklaring voor andere conclusies uit het onderzoek: het cynisme over de politiek neemt toe, twee op de drie Nederlanders menen dat de kloof tussen burgers en politiek groter wordt.

Het onderzoek, waarvan de resultaten gisteren werden gepubliceerd en dat is uitgevoerd omstreeks de landelijke verkiezingen van november 2006, bevat uiteraard interessante lessen voor Kamerleden en andere volksvertegenwoordigers. Zij en hun partijen hebben een probleem als, zoals het onderzoek aangeeft, bijna de helft van de Nederlanders meent dat je eerder Kamerlid wordt dankzij politieke vrienden dan door bekwaamheden. Deze opvatting verstevigt de indruk dat de status van ‘politiek Den Haag’ de laatste jaren is gedaald. De politicus van de 21e eeuw geniet veel minder aanzien dan zijn voorgangers van enkele decennia geleden.

Een riskante reactie zou zijn – en is soms al – als politici vluchten in de verkeerde variant van het populisme en valse verwachtingen wekken. Niet alleen is het verstandig dat ze duidelijk maken dat verkiezingsprogramma’s in dit land hooguit de uiting van een streven zijn en geen spijkerharde beloftes kunnen bevatten, maar ook als ze de ideeën over wat de staat vermag, temperen. De oorzaak van de kloof tussen politiek en bevolking is namelijk ook gelegen in een onrealistisch verwachtingspatroon bij de burger. Onder invloed van onder meer globalisering is de maatschappij fundamenteel veranderd en de de positie van ‘vadertje staat’ verzwakt. De mondiger burger is bovendien een zelfstandiger burger die het vaker dan vroeger moet zien te redden zonder voorheen schijnbaar vanzelfsprekende hulp van ‘de instanties’. Een meer bescheiden opstelling van politici over de reikwijdte van hun macht, in het bijzonder op economisch terrein, verdient aanbeveling.

Het kiezersonderzoek bevat nog een aantal interessante wetenswaardigheden, onder meer met het oog op de discussie over de ‘koopkrachtplaatjes’ die nu onder druk van economische tegenvallers in Den Haag gaande is. Een belangrijke conclusie is dat kiezers met lage inkomens nauwelijks anders stemmen dan de hogere inkomensgroepen. Ook bij het benoemen van de belangrijkste problemen blijkt dat bij burgers hun inkomen van weinig invloed is. Minderheden, gezondheidszorg en criminaliteit, in die volgorde, worden onder alle groepen als majeure kwesties ervaren.

Alleen bij degenen die langdurig een laag inkomen hebben, speelt de portemonnee een rol bij hun stemgedrag. Zij zijn ook de grootste voorstanders van lagere belastingen, waarmee ze het voornaamste instrument aantasten waarover de politiek beschikt om via herverdeling juist hun inkomenspositie te verbeteren. Deze tegenstrijdigheid bevestigt nog maar eens dat, de kloof ten spijt, regeren heel wat meer is dan luisteren naar ‘de’ kiezer.