Wat je zegt

Hoe merkwaardig het is dat als de wolken wegtrekken en de zon gaat schijnen, je binnen de kortste keren de sensatie hebt dat het altijd zo geweest is, las ik laatst in het grappige boekje dat Martin Bril over zijn Napoleon-fascinatie schreef. Zodra de lucht blauw is, is dat de gewoonste toestand van de wereld. Net zoals een grauwe lucht er uitziet of-ie voor eeuwig zal blijven en ook meteen alsof-ie er al dagen is.

Ons voorstellingsvermogen is blijkbaar nogal beperkt. Of misschien is het niet ons voorstellingsvermogen, maar ons herinnerend vermogen. In de zin van écht herinneren, weten hoe het voelt, hoe het eruit ziet, bij een heel andere weersgesteldheid. Ga je met echt warm weer de deur uit, dan kost het je de grootste moeite te geloven dat je straks tóch een vestje nodig zult hebben – het is immers erg warm. Iedereen lijkt misschien wel een beetje op die meneer die hoofdschuddend in de tram zat, terwijl de regen tegen de ruiten sloeg, en verzuchtte: „De kinderen boffen niet met het weer in Turkije.”

We zeggen dat van pijn, dat je die niet onthoudt. Je weet wel dat iets pijn heeft gedaan en dat zeg je ook: „Het deed afschuwelijk pijn!” maar wat het betekent om pijn te voelen, weet je alleen maar als je het voelt. Hoe beroerd je bent als je misselijk bent, je weet het, maar je voelt het niet na.

Zo gaat het trouwens met alle zintuiglijke waarnemingen, je hebt ze wel, maar je onthoudt ze niet. Je onthoudt dat het stonk, maar de geur van de stank niet. Ook al zeg je: „Die weeë, zoetige lucht van verrotting”, en ook al knikt iedereen dan, omdat iedereen weet wat dat betekent: niemand ruikt hem. Niemand voelt „de heerlijke warmte van de zon”, als die er niet is. Niemand proeft de smeltende chocola op de tong, zonder chocola. Wat we wel voelen, is het verlangen naar chocola of warmte, en de afkeer van stank.

Als het niet zo zou zijn, hadden woorden wel een heel grote macht. Sprak je over oorpijn, dan voelde je die, en de luisteraars ook. Doodgriezelig, al schijnen sommige dichters enorm naar dit verschijnsel te verlangen. Er zijn er die doen of het wel bestaat, of hun gedichten ‘gevaarlijk’ zijn.

Toch probeer je het wel, de werkelijkheid te beïnvloeden met woorden. Toen ik gisteren mijn vader de schoonheid van het Groningse landschap wilde tonen en hem rondreed door het Reitdiepgebied, waar ik laatst zelf zo enorm genoten had van het licht en de wolkenluchten, probeerde ik wel degelijk om hem, dwars door de grauwe regensluiers heen, afwisselende kleuren te laten zien, ik sprak van mooie wolkenpartijen, deed mijn best het grijs te nuanceren en te verlevendigen – kijk hoe mooi daar die duidelijk wat lichtere grijze streep! – en verzuimde nergens te zeggen hoe prachtig en lieflijk het was, en hoe zelfs maar een vleugje zon dit alles deed oplichten.

Het hielp overigens wel degelijk. Weliswaar zag mijn vader regen waar regen was, maar mijn woorden werden wel gehoord. Elders. Toen we aan de haven van Zoutkamp stonden, toonde men wat ik bedoeld had: wolken en zon, lichtschittering op het water. En even later: zon op de koeien die zich pittoresk op een dijkje opgesteld hadden.

Heerlijk buiten geborreld, met Reitdiep-paling. Gezeten op die stoelen die áltijd in de zon staan, op borreltijd.

    • Marjoleine de Vos