Wappa, Sappa en Kappa

Nicolien Mizee geeft een cursus verhalen schrijven aan de Volksuniversiteit. Ze laat zich inspireren door haar leerlingen. In deze laatste aflevering gaat het over geloof in ‘leidgeesten’.

De beste verhalen hoor je altijd in de pauze. Het gesprek gaat over paranormaliteit. Dirk, die nooit veel zegt, neemt het woord. „Vroeger geloofde ik alles. Toen ik nog bij de Mirva zat. Kennen jullie dat niet? Dat is een stroming. De leider is Piet Mans. Hij is een medium. Ja, dat dacht ik toen, nu weet ik dat het een bedrieger is. Elke maand ging ik erheen, naar Zijtaart, en dan…”

„Wat zeg je?” vraag ik, „Ik verstond Zijtaart.’

„Ja, zet, lange ij, en dan taart. Een dorpje in Brabant. Nou, en die Piet Mans ging dan in trance. Hij had drie leidgeesten, en die heetten Wappa, Sappa en Kappa. Ja, ik vind het nou ook wel gek…”

Want iedereen begint te lachen. „Niks van aantrekken, Dirk”, zeg ik.

„Nee hoor”, zegt Dirk goedmoedig. „En één keer hè, toen kwamen er tijdens een dienst zo veel kosmische krachten vrij dat Piet z’n onderbroekje in vlammen is opgegaan. Dus daarna droeg hij een onderbroek van goud.”

De lachtranen bibberen over Annemies gezicht. „Was jij daarbij?”

„Nee”, zegt Dirk. „Maar hij vertelde het. Ik heb dat verhaal nog op een bandje staan. Je kon bandjes kopen. Met Oud en Nieuw kwam Wappa altijd. En die voorspelde dan het nieuwe jaar. Hij praatte heel mechanisch, Wappa. En Sappa, die vertelde over Pluto. Daar had je octopussen, die waren zo groot als een flatgebouw van elfhoog. Dus ik was ook vaak wel bang. Maar toch ging ik er elke maand weer heen.”

„Hoe ben je van je geloof gevallen?” vraag ik gretig. Alle literatuur gaat over doorbrekend inzicht (God bestaat, mijn moeder houdt niet van me, verzet is zinloos), maar niemand lijkt er over te willen praten.

„Het was verschrikkelijk”, zegt Dirk. „Toen ik begreep dat het allemaal niet waar was. Ik liep wanhopig rond, wekenlang. Het was of er niets meer over was.”

„Maar hóe ben je dan van je geloof gevallen?” dring ik aan.

„Ik kwam bij Ronald”, zegt Dirk. „En die vertelde dat het niet kon, octopussen zo groot als flatgebouwen.”

„En vond je het toen niet gek dat je dat vroeger allemaal geloofd had?”

Dirk kijkt me glazig aan. „Ja”, zegt hij aarzelend.

Zo gaat het altijd: mensen kijken naar hun vroegere zelf als naar een vreemdeling. Evenmin kunnen ze uitleggen hoe en wanneer het moment van inzicht zich voltrokken heeft. Literatuur is een eindeloze oefening in het beschrijven van iets onbeschrijflijks. Daarom komen er steeds maar nieuwe boeken.

„En wie is Ronald?” vraagt Harriët.

„Hij sprak me aan in de Kalverstraat. Hij heeft me meegenomen naar zijn kerk. Ik kom er nog elke week.”

„Welke kerk is dat dan?”

„De Scientologykerk.”

We zijn allemaal stil.

„Schrijf het maar allemaal op”, zeg ik. „Kom jongens, terug naar de klas.”