Politiek is nietmoreel recht-door-zee zijn

Elke woensdag op deze pagina een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: de werkelijke deugden van een Kamerlid.

Kamerlid Wijnand Duyvendak (GroenLinks) heeft het moeilijk sinds hij vorige week bekendmaakte ooit betrokken te zijn geweest bij een inbraak in het ministerie van Economische Zaken. De motieven waren – althans in de ogen van de milieubeweging – edel en Duyvendak lijkt daar altijd nog een beetje trots op. Dankzij de openbaarmaking van geheime beleidsstukken zou de bouw van een nieuwe kerncentrale in Nederland zijn verhinderd.

Toch sloeg het nieuwtje in als een bom. Wat moet je met een Tweede Kamerlid dat weliswaar geen strafblad heeft, maar er eigenlijk wel één had moeten hebben? Over zijn betrokkenheid had Duyvendak tot nu toe altijd gezwegen – en ook dát wekte verontwaardiging. Een misdadiger en een draaikont bovendien: zou Duyvendak zijn zetel niet moeten opgeven in het wetgevende college, dat van onbesproken gedrag zou moeten zijn?

Dat is een misverstand. De Tweede Kamer is geen vertegenwoordigster van de publieke moraal, zoals ze ook geen afspiegeling is van de Nederlandse bevolkingssamenstelling. Ze vertegenwoordigt slechts de opinies in het openbare debat. Iedere Nederlander is vrij om daartoe zijn eigen vertegenwoordiger te kiezen en die vrijheid dient zo weinig mogelijk te worden ingeperkt: niet door de wenselijkheid van de uitgedragen meningen, niet door het morele gehalte van de afgevaardigde en niet door de wil de Tweede Kamer tot een spiegel van de Nederlandse bevolkingssamenstelling te maken.

Alleen de strijd der opinies telt, en die zijn per definitie niet onbesproken in de politiek. Die ontleent haar bestaansrecht nu eenmaal aan het feit dat mensen het hartgrondig met elkaar oneens kunnen zijn. Of men het leuk vindt of niet, de samenleving wordt gekenmerkt door een morele verdeeldheid waarin bepaalde standpunten in de ogen van anderen kunnen neerkomen op regelrechte immoraliteit of zelfs criminaliteit.

Nu vormt dat laatste ongetwijfeld een absolute grens. Een crimineel hoort niet thuis in een wetgevende vergadering maar in de gevangenis. Wettelijk gezien is een verdachte echter nog geen crimineel zolang hij niet is veroordeeld en is hij dat niet meer wanneer hij zijn straf heeft uitgezeten.

Wanneer er van vervolging geen sprake is geweest, zoals bij Duyvendak, is er zelfs geen juridisch criterium om die term te mogen gebruiken. Niets staat een Kamerlidmaatschap dan in de weg. Enigszins wrang zou men er zelfs voor kunnen pleiten, op grond van het feit dat zondaars óók deel uitmaken van de samenleving.

Daarmee is echter alleen het staatsrechtelijk kader van het Kamerlidmaatschap geschetst. De werkelijke aanvaardbaarheid van een afgevaardigde wordt in een politiek proces getoetst en daarin zijn heel andere factoren in het spel. Het is de kiezer die in het stemhokje verleid moet worden en daartoe dienen de meest uiteenlopende strategieën: van erotische aantrekkelijkheid tot bijbelvastheid, van mediaberoemdheid tot succes in zaken. Met verrassing stel je vast dat sommige kandidaat-Kamerleden zowaar op hun visies worden beoordeeld.

In dat spel van politieke balts spelen de eerlijkheid en morele zuiverheid van de kandidaat een steeds belangrijkere rol. Wie zou tenslotte zijn stem willen geven aan een politicus van wie men onder geen beding een tweedehandsauto zou durven kopen? – zo is in een Amerikaanse campagne ooit tegen Richard Nixon ingebracht. In de toenemende moralisering van de samenleving, waarin ‘authenticiteit’ – zoals de Canadese filosoof Charles Taylor heeft laten zien – al eeuwenlang almaar belangrijker geworden is, zijn dat krachtige wapens.

Maar of dat gelukkig is, is een andere zaak. Om te beginnen omdat dergelijke criteria de verkiezingsstrijd bijna vanzelf tot een spiegelgevecht maken. Het gaat meer om de schijn van oprechtheid dan om het gemoed dat daarachter schuil gaat. Het komt de geloofwaardigheid van de politiek zélf niet ten goede wanneer kandidaten in de markt worden gezet op grond van een authenticiteit die zo overduidelijk door spindoctors wordt gemanipuleerd.

En ten tweede is het maar de vraag of eerlijkheid en recht-door-zee zijn voor een politicus wel de hoogste deugden moeten zijn. Politiek, zo heeft de Franse denker Raymond Aron bij herhaling benadrukt, is allereerst de kunst van het compromis en het haalbare. Ze moet zich dus altijd afgeven met het minder-dan-ideale en in een ingewikkeld proces van geven en nemen streven naar het beste resultaat. Morele getuigenis en schone handen spelen daarin wel een rol als laatste toetsingscriterium, maar meestal slechts in de marge van het feitelijke politieke proces.

En zo hoort het ook – want anders zou er van regeren en wetten maken niets terecht komen. Het is dan ook een beetje vreemd wanneer Duyvendak nu het verwijt van slinkse achterbaksheid wordt gemaakt, omdat hij zijn jeugdzonde pas heeft opgebiecht nadat de verjaringstermijn daarvan verstreken was. Even vreemd is de kritiek dat voor de geplaagde afgevaardigde indertijd vooral het resultaat van ondernomen milieuacties belangrijk was geweest. Had de toenmalige actievoerder niet principiëler moeten zijn?

Misschien wel. Het overtreden van de wet is een absolute grens, zoals Duyvendak inmiddels ook toegeeft. Maar ironisch genoeg pleiten zowel zijn slinksheid als zijn resultaat-gerichtheid voor het Kamerlid Duyvendak eerder in zijn voordeel. Beide zijn grote deugden voor een succesvol politicus – ook voor de succesvolle politicus die Duyvendak tot nu toe was.

Het is in dat opzicht ironisch dat het juist de authentieke en daarom misschien enigszins onbeholpen eerlijkheid van zijn gewraakte persbericht was die hem nu zozeer in de problemen heeft gebracht. Niet toevallig werd hem door zijn politiek leidster minder zijn verleden verweten dan het feit dat hij de partij door zijn onhandigheid schade had toegebracht. Ook een getuigenispartij als GroenLinks weet heel goed dat de politieke boterham vooral besmeerd is aan de kant van het imago. Juist in dat cynisme betoont deze partij haar volwassen politieke inslag.

Het dilemma van politici is immers dat zij zich voor de kiezer aantrekkelijk moeten maken (en houden) op grond van criteria die haaks staan op hun eigenlijke werk. Iedere vier jaar (en ook daartussenin) komt die discrepantie tussen de ‘eerlijke’ politicus en het ‘gekonkel’ van het métier hinderlijk tussenbeide. Het dalende vertrouwen van de burger in de politiek komt dan ook niet voort uit de beruchte ‘kloof’ die beide van elkaar zou scheiden. De oneigenlijke criteria waarop politici zichzelf laten kiezen zijn daarvoor verantwoordelijk.

Op hun campagnes (in en buiten verkiezingstijd) stellen politici zich zo sympathiek, oprecht, toegankelijk en meegaand mogelijk op: allemaal zaken die ze als politicus nu juist níet moeten zijn. Het enige taboe dat inmiddels in de verkiezingscampagne geldt is dat van de realpolitik – dat wil zeggen: van de politiek zelf, want een andere is er niet. Als de Tweede Kamer lijdt aan haar vervreemding van het volk, dan heeft ze dat haar eigen campagnestrategen te verwijten. Zij zijn het die de kandidaten dwingen tot maskerades die doen vergeten dat het in de verkiezing om het politiek bedrijf gaat.

Daarom is in de politiek iedere schijn van moreel recht-door-zee zijn een vorm van oplichting, die zichzelf op termijn genadeloos afstraft. Politiek is een poging tot verstandige en rationele omgang met datgene wat maatschappelijk bitter en zelfs onaanvaardbaar is: onverteerbare meningen, immoreel gedrag. Daarom is het goed dat afgevaardigden vrijuit spreken, hoe aanstootgevend hun woorden ook mogen zijn, en in hun maatschappelijke contacten geen al te grote smetvrees vertonen. Een politiek die zich té ethisch en kieskeurig toont, verliest haar relevantie en geeft de rottigheid in de samenleving vrij spel.

Rob Wijnberg is met vakantie. Tot die tijd is een aantal gastschrijvers uitgenodigd om filosofische dilemma’s te bespreken. Ger Groot is filosoof.

    • Ger Groot