Ontwaken in de Kiekkaaste

De wildkampeerders fietsen in deze vierde aflevering door de provincie Groningen van Bourtange naar Nieuw Statenzijl (36 km) aan de Dollard. Zij slapen in de mooiste overnachtingsplek van Noord-Nederland.

De Kiekkaaste torent majestueus boven de Groningse Waddenkust uit. Foto Matthijs Termeer Termeer, Matthijs

Volg je instinct. Altijd. Sla geen acht op waarschuwingen van wie dan ook, zelfs niet als men je belangeloos een plaats voor de nacht aanbiedt in een versgesproeide achtertuin. Argumenten als „De Kiekkaaste? Onbereikbaar!” en „Het voetpad erheen is helemaal weggeslagen” zijn bedoeld om je van het juiste pad af te brengen: de kaarsrechte route naar Nieuw Statenzijl. Met hier en daar een haakse bocht, maar onverbiddelijk in zijn rechtlijnigheid. Onderweg warme lucht, druipend zweet en wolken muggen.

Onverbiddelijk zijn wij ook, als we het platteland achter ons laten en in de duisternis de boorden van de Dollard naderen. Ligt daar iemand op het beton bij de sluis te slapen? Lekker laten liggen. Waar wij heengaan, is geen plaats voor toeristen.

Met bepakte fiets slaan we het pad tussen de manshoge rietkragen in. We tillen onze lastdieren op het plankier dat ons onbelemmerd naar de mooiste overnachtingsplek van Noord-Nederland voert. Daar staat-ie, op zuilen van poten. Als een bizar insect dat het omringende wad aan zijn heerschappij heeft onderworpen. De Kiekkaaste: een driesterren vogelobservatiehut met wenteltrap en veranda. Beheerd door God-weet-wie, maar nu even niet. Nu zijn wij hier heer en meester.

Het is jammer dat de graanrepubliek onderweg in geen enkele open snackbar voorzag. Een paar spaghettislierten in een oplossoepje, een vreugdeloos blikje sardines en wat bruine boterhammen zijn een tamelijk karig maal, zeker als je bedenkt dat we hier op een toplocatie verblijven. Wilden we eerst nog buiten op de veranda slapen, naarmate de wind aantrekt zijn we blij dat de hut met een degelijke deur af te sluiten is. Een kort moment denken we aan de wildslaper op het harde beton. Wij liggen op gepolijste planken.

De volgende morgen zeker, want ontwaken in de Kiekkaaste is iedere keer opnieuw een openbaring. Geen mug heeft ons gestoord, het hout is mild geweest voor onze ruggen. Maar waar het hier om draait, is het uitzicht. Waarom anders zou op deze plek een dergelijk kunstwerk in hout en staal zijn opgetrokken? Dat was niet door een beklagenswaardig volk, dat zich tegen het wassende water moest beschermen. Nee, dit is een luxeproduct. Zelfs de roder-dan-rode communisten van het grimmige land hebben zich er niet tegen verzet dat de welvaartsmens hier onbekommerd van de natuur kan genieten.

Voorlopig zijn wij de enigen. Uren kijken we uit over het water, al moeten we daarvoor door krappe houten kijkgaten loeren. Het geeft niet, het uitzicht is mild voor alles en iedereen. Zelfs de tientallen windmolens, door de Duitse buren langs de horizon gebouwd, vinden hun plaats op dit schouwtoneel van hemel en aarde. Meer speciaal: blauwe lucht, wuivend riet en brak water. Overal.

Dan is een duik in de Dollard gauw gemaakt. Ondiep duiken is wel het devies. Je weet nooit hoe diep of ondiep het is. Dat blijkt korte tijd later als het water is gezakt. Op de stukken waar we moesten lopen, heeft het wad onze voetsporen vastgehouden. Wie weet hoe lang nog. Wie weet wat de eerste bezoeker van de dag gedacht heeft toen hij twee naakte mannen in het natuurgebied zag poedelen.

We moeten weg. Onze leeftocht is gekrompen en spoedig sluiten de winkels. We zeggen gedag tegen de boerenzwaluwfamilie op de veranda, met de drie eigenwijze nestjongen die hun koppetjes in allerlei hoeken draaien om onze bewegingen te volgen. We nemen afscheid van de honderden steltlopers op het drooggevallen wad, aangevoerd door de bijna exotische zwarte ruiters. We accepteren nog wat kersen van twee ongelovige fietstrekkers uit het buitenland.

We kijken om naar de reuzenspin in de blikkerende zon. Nog voor we vijf kilometer op weg zijn, missen we de Kiekkaaste al hartstochtelijk.