Van het ene uiterste naar het andere

In mijn herinnering was het wel een aardige stunt, de onthullingen in 1985 van een groepering genaamd ‘De wraak van jonkheer mr. De Brauw’ over het bestaan van plannen op het ministerie van Economische Zaken voor de bouw van nieuwe kerncentrales. Een jaar eerder was De Brauw, oud-minister van DS’70, overleden. Moeizaam had de man – het tegendeel van een linkse rakker – de laatste jaren van zijn leven gewijd aan de slepende Brede Maatschappelijke Discussie over kernenergie. De uitkomst van deze BMD was tweeledig: Nederland moest even niets meer hebben van kernenergie, maar ook niet van een oeverloze inspraakronde die alleen maar bedoeld was om te sussen en tijd te rekken.

Een groepje onverlaten had de bewijzen voor de onzinnigheid van die hele BMD gepikt en vervolgens breed uitgemeten – de via inbraak en heling verkregen informatie werd met belangstelling en met weinig ethische mitsen en maren door de gevestigde media overgenomen.

De actie was uiteraard strafbaar. In de jaren zeventig is menige poging ondernomen om de rechterlijke macht ertoe te bewegen geweldloze maar illegale politieke acties niet wederrechtelijk te verklaren. Maar in het bekendste voorbeeld – het massale proces tegen de bezetters van het Maagdenhuis in 1969 – had het Amsterdamse Gerechtshof hier al korte metten mee gemaakt. In een democratische samenleving, sprak het Hof vermanend, is het onduldbaar dat burgers een doel nastreven met schending van door de strafwet beschermde rechtsbelangen.

Uiteraard – maar dat weerhield demonstranten er zelden van een demonstratieverbod te overtreden, de vakbonden zorgden met stakingen voor de intrekking van wettelijke beperkingen van het stakingsrecht, Vietnam-activisten smokkelden deserteurs de grens over, feministen bezetten om het recht op abortus te verdedigen de abortuskliniek in Bloemenhove, et cetera. Deze typen illegale acties mag je, ook in retrospectief, niet over één kam scheren met het geweld waartoe sommige krakers en milieuactivisten eind jaren tachtig vervielen. Toch gebeurt dat, ook door spijtoptanten in GroenLinks.

Alles wat zich buiten de wettelijke kaders beweegt heet tegenwoordig terrorisme. Dat is een mooi succes van het terrorisme. De zelfkastijding van GroenLinks over het ‘actieverleden’ van het Tweede Kamerlid Wijnand Duyvendak wegens zijn betrokkenheid bij de inbraak in 1985 is zo bezien meer dan een zomerrelletje, het lijkt een symptoom van de veranderingen in het politieke klimaat.

Fractievoorzitter Femke Halsema van GroenLinks verzekert: „Ik vind dat acties altijd binnen de grenzen van de wet dienen te blijven.” Altijd? En Martin Luther King dan, en Gandhi dan? GroenLinks gooit met deze formulering het leerstuk van de burgerlijke ongehoorzaamheid het raam uit. Nu is dat, toegegeven, een ingewikkeld begrip. De term is gemunt door Henry David Thoreau in zijn beroemde essay Civil Disobedience uit 1849: de burger mag nooit zijn geweten ondergeschikt maken aan de wet of uitleveren aan de wetgever. „Why has every man a conscience, then?”

Maar waar liggen de grenzen?

Het kan toch niet waar zijn dat Femke Halsema het recht van een individu of groep ontkent om verzet tegen de overheid te bieden als de staat zelf bron van onrecht is. Het kan niet waar zijn dat zij de staat en het recht aan elkaar gelijk stelt. Tenzij zij ervan uit zou gaan dat de staat per definitie gerechtvaardigd is.

In een democratische rechtsstaat is het onderscheid van belang tussen protestvormen die uitgaan van de erkenning van de legitimiteit van het heersende gezag en vormen die de legitimiteit van het gezag ontkennen. In 1972 plaatste jurist en socioloog Kees Schuyt in zijn proefschrift (Recht, orde en burgerlijke ongehoorzaamheid) burgerlijke ongehoorzaamheid halverwege een schaal die gaat van legale protestvormen zoals petities tot en met revolutie. Hij noemt een aantal kenmerken die in zekere zin ook als criteria voor de toelaatbaarheid van illegale acties kunnen dienen. De acties moeten bijvoorbeeld gewetensvol zijn, geweldloos, er moet een samenhang bestaan tussen de actievorm en de doelstelling, de actievoerders moeten weloverwogen en openlijk te werk gaan, bereid zijn zich aan arrestatie en bestraffing bloot te stellen, legale middelen moeten zijn uitgeput, de rechten van anderen moeten in acht worden genomen.

Het is duidelijk dat de actie van ‘De wraak van jonkheer mr. De Brauw’ in 1985 aan een aantal van deze criteria niet voldeed. De kompanen van Duyvendak gingen mogelijk gewetensvol, zeker geweldloos, ongetwijfeld weloverwogen te werk, hun doel (opening van zaken) stond in verband met de illegale handeling (inbraak), zij brachten voor zover bekend anderen geen schade toe. Maar zij gingen niet openlijk te werk, meldden zich niet als daders en ontliepen bestraffing.

Dat geeft meer reden tot zelfreflectie voor Wijnand Duyvendak dan de nu door hem geformuleerde zelfkritiek dat de actie „contraproductief” was, die slechts een instrumentele en opportunistische denkwijze verraadt. Er is dus wel iets te zeggen voor de verklaring van Halsema (boetvaardig overgenomen door Duyvendak) dat de inbraak uit 1985 „moreel en politiek onacceptabel” was. De wrekers van De Brauw hadden gewoon wat flinker moeten zijn.

Als nu echter het zondebesef van GroenLinks leidt tot een smeekbede om een Brevet van Braafheid, is dat het andere uiterste. En dat is al evenmin politiek en moreel acceptabel. Want wie anders dan GroenLinks kan de taak op zich nemen nieuwe generaties bij te brengen dat er óók een noodzaak kan bestaan tot zinvol en ernstig verzet tegen onrecht, als doel en middelen proportioneel zijn, zelfs als de wetgever dat illegaal verklaart? Of omgekeerd: wie zal onbesuisde actievoerders, die hun geweten volgen, met moreel gezag kunnen aanwijzen waar de grenzen liggen?

Duyvendak zat in 1985 fout, maar nu zit hij samen met Halsema fouter: nu noemen zij de gehoorzaamheid aan de wet onvoorwaardelijk. Daarmee ontkent GroenLinks de rechtvaardiging die John Rawls gaf van burgerlijke ongehoorzaamheid in een democratische samenleving: een uiting van ongehoorzaamheid aan de wet binnen de grenzen van trouw aan de rechtsstaat.

Een dergelijk gewetensvol activisme hoort voor GroenLinks het erfgoed te zijn, een zuiver wetspositivisme zou het laatste onderscheid met de PvdA of D66 tenietdoen.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/etty