Reddend bakken

Je kunt nu wel doen alsof je heel onthecht een weekendje weggaat, maar zo is het helemaal niet. Ongeveer een uur voordat je vertrekt, dringt ineens tot je door dat die grote krop sla die je laatst gekregen had, samen met de vrolijke veelkleurige snijbiet nog buiten in een emmer staat. En dat ze slap hangen en nu bezig zijn flink te versnotteren, waar ze onverdroten mee door zullen gaan terwijl je wegbent, en als je terugkomt zullen ze vol slakken en slijm zitten en dan zul je je diep moeten schamen om je slechte beheer.

Dat mag niet gebeuren!

Dus hup sla en snijbiet uit hun modderwater, snel onder de kraan, snot eruit, de rest in stukjes gesneden door man, terwijl vrouw ui hakt, boter smelt, geruststellend een paar keer ‘soep’ zegt, en ‘er is ook nog ergens een prei’.

En ja, het geurt al spoedig naar een zomerse groentesoep – één van de vele soepen in de rij slasoep, komkommersoep, courgettesoep, oftewel moestuinsoep.

Koken is vaak een kwestie van redden wat er nog te redden valt. Het is helemaal niet zo moeilijk om naar de markt te gaan en van alles in te slaan en dan zo’n tas met boodschappen te veranderen in één of meer smakelijke maaltijden. Dat kan iedereen met een beetje zorg en aandacht wel voor elkaar krijgen. Maar koken is ook: de restjes. De restjes van de boodschappen in de vorm van dat ene lente-uitje dat om duistere redenen niet fijngehakt werd over de makreel en nu wat verfomfaaid in een hoekje ligt. De halve rode en de halve groene paprika (waarom half? van wie mocht die tweede helft er niet in?) die met van die sneue randjes in de groentela liggen, onder de spitskool die begon als een stralend fris, ‘vers van het land’-product, maar waarvoor bij nader inzien toch minder animo bestaat dan gedacht, omdat kool, al groeit-ie nog zo hard in de zomer, een onmiskenbare winterklank heeft en dus niet geconsumeerd kan worden als je zomeravondje speelt. Op een schaal, keurig afgedekt met plasticfolie, liggen een have rollade, drie aardappelen en één prei. In een ander bakje ligt nog eens anderhalve aardappel. In een plastic bakje dat mee uit picknicken is geweest, zit auberginepuree chagrijnig door het plastic heen te loeren. Een piepklein klontje boter dat als een aardig glanzend gebaar de ontbijttafel heeft gesierd, krijgt nu harde gele randjes.

En dit is nog maar een selectie.

Ouderen zeggen nu wellicht: zaterdagavond. Van oudsher de avond om restjes op te eten, met brood. Maar dan zijn de restjes wel bij voorkeur opbakbare kliekjes (stamppot!) en niet sterk vergrijzende groenten.

Ik heb wel eens een restjeskookboek gezien – een totale ramp. Voor restjes moet je geen kookboek hebben, want dan ga je die heerlijke gerechten die in dat boek staan sowieso maken, restjes of geen restjes, en dan zijn ze negen van de tien keer krankzinnig bewerkelijk en je boodschapt je ook nog eens ongelukkig, want je hebt dan altijd ándere restjes dan de schrijver en daardoor heb je daarna nóg meer restjes als men mij nog volgt.

Soep is natuurlijk een goed antwoord, maar je moet er toch mee oppassen. Anders krijg je soepen die lijken op het palet van een beginnende schilder: alles in tinten onbestemd bruin.

Het beste is verplicht lunchhapjes maken. Minitortilla met voorgekookte aardappel. En een lente-uitje. En een klein stukje rode en groene paprika. Bingo!

    • Marjoleine de Vos