Overlopen van bewondering voor de dokter

Niet alle artsen in Frankrijk leveren lopendebandwerk. Correspondenten beschrijven deze zomer eigenaardigheden van de gezondheidszorg in hun land.

Je dokter leer je pas echt kennen als je ziek bent, vindt onze kennis Sophie. We beginnen bijna te lachen omdat ze met haar zere been toch maar een open deur heeft ingetrapt, maar Sophie kijkt beteuterd. Ze is „eigenlijk van de homeopathie”, zegt ze. Nog altijd. Maar daar heeft ze nu even niets aan.

Negen maanden geleden zorgde een onschuldige botsing op haar werk voor immense pijn in been en heup. Werk voor specialisten. Ze vroeg in verschillende ziekenhuizen en klinieken in en om Parijs om raad. Er kwam een afwijking in haar heup aan het licht. Nu moet ze nadenken of ze nog durft te hopen op een beetje verbetering – of voor een kunstheup gaat.

Haar Parijse huisarts – die met homeopathie als ‘oriëntatie’ dus – zou optreden als ‘coördinerend’ arts. Dat is de arts die de informatie van collega’s uit de ziekenhuizen verzamelt, die altijd klaar staat met advies en pijnstillers. Nou, daarvoor had de homeopaat dus geen tijd. En nu loopt Sophie over van bewondering voor de traditionele huisarts in haar eigen straat. Om haar beschikbaarheid.

Ze vertelt hoe haar huisarts op een avond dat zij weer veel last had, nog een afspraak met haar plande om tien uur ’s avonds. En toen belde de dokter op het laatste moment dat ze eerst nog even naar een bejaarde heer moest die juist zijn vrouw had verloren. Om te troosten. Dus het werd elf uur. „Mijn huisarts werkt gewoon altijd.” En ze zegt ook gewoon dat ze Sophie, midden veertig, nog te jong vindt voor een kunstheup.

Sophie bezweert ons haar huisarts niet te zien als model voor de Franse huisarts. „Zoveel toewijding, dat kom je gewoon niet meer tegen”, zegt ze. En suggereer ook niet dat haar arts zo hard werkt omdat de concurrentie in het artsendichte Parijs dat nu eenmaal noodzakelijk maakt. „Ze neemt voor iedereen de tijd, geen lopendebandwerk zoals bij anderen.”

Misschien heeft Sophie gelijk. We kennen ze, en we horen ook vaak over ze klagen: de machinehuisartsen. Die zonder naar je te luisteren maar binnen enkele minuten een velletje medicijnen hebben uitgeschreven – met antibiotica, waarvan Fransen een Europese grootverbruiker blijven – sessietje fysiotherapie erbij, en hup, 22 euro alstublieft. Afrekenen doe je bij de Franse dokter immers ter plaatse. En o ja, over een maand terugkomen. Weer 22 euro binnen. En binnenkort 23 – de vakbonden en de Sécu, de dienst die de basisverzekering regelt, hebben hierover juist een akkoord bereikt.

Maar aan de andere kant: hoeveel mensen hebben niet net als Sophie een „uitzonderlijke” arts? Jean-Eric, wiens dokter de perfecte gids bleek in de wereld van medische zorg en verzekeringen voor de behandeling van de tumor die zijn dochter in haar been had. Daniëlle die met haar dokter zo goed kan praten over het juiste kuuroord en het beste mineraalwater. Philippe die het geen probleem vindt dat zijn huisarts kwebbelt; ze kan zo goed kráken. Ze is behalve ‘médecin généraliste’ ook chiropractor.

De Franse huisarts heeft twee gezichten. Hij geldt als hoeksteen van hoogstaande Franse zorg. Goed opgeleid, vaak met nevenspecialisaties in sport, biologie of andere disciplines. Gewend aan harde concurrentie met specialisten, die tot voor kort ook zonder doorverwijzing te raadplegen waren. En alleen maar belangrijker nu elke patiënt een vaste ‘behandelende arts’ moet aanwijzen: 98 procent van de Franse patiënten had binnen een jaar gekozen.

De huisarts is ook een sleutelpion in pogingen van de regering om het enorme tekort in het publieke zorgstelsel – 9,5 miljard euro in 2007 – te dichten. Hij moet minder doorverwijzen, minder medicijnen voorschrijven, meer luisteren en altijd ‘door de tijd heen’ de patiënt volgen en begeleiden. Zoals de huisarts van Sophie dus.

Maar tegelijkertijd is de toubib – het populaire koosnaampje voor de huisarts van Arabische herkomst – allang niet meer de bedaarde notabele in een vanzelfsprekende leunstoel van gezag en gemak. Eerder een onvolkomen middenstander, die zijn beroepseer en idealisme moet waarmaken met een permanente blik op de knip. Op het platteland, vooral aan de westzijde van het land, is een snel groeiend tekort aan huisartsen. Ontvolking en een relatief gebrek aan zon maken dat jonge artsen zich er nauwelijks nog vestigen. Wie wel durft moet uren rijden voor een paar mager betaalde huisbezoekjes. In sommige streken is binnen tien jaar naar verwachting de helft van alle huisartsen met pensioen. Onlangs schreven drie medische opiniemakers – een vakbondsleider, een professor en een schrijver – dat de huisarts een „met uitsterven bedreigde soort” is.

Maar dat geldt niet overal. In Parijs, de steden en de kust in het zuiden bedrijven juist drommen huisartsen kluitjeszorg. Hier groeit de clientèle, schijnt de zon en beschikken jonge artsen over de gewenste moderne infrastructuur – van ziekenhuis tot gedeelde secretariaten. Maar het is hard werken om een eigen klantenkring te veroveren. Specialisaties kunnen helpen, net als de bereidheid altijd te werken. Sophie brengt de zomer door met therapieën aan de Middellandse Zee en in een kuuroord in de Alpen. En haar huisarts? „Ik heb haar mobiele nummer, maar ik probeer het niet te gebruiken.”

    • René Moerland