Een explosieve sport

In Peking vinden de Olympische Spelen plaats.

nrc.next-redacteuren testen hun sporttalent. Kunnen ze – met wat training – meedoen aan de Spelen in 2012?

De Amerikaanse Lolo Jones, met het hoofd van redacteur Jessica van Geel. Foto Reuters, bewerking fotodienst NRC Lolo Jones of the U.S. competes in the women's 100 metres hurdles race during the Golden Spike World Athletics Tour meeting in Ostrava June 12, 2008. REUTERS/David W Cerny (CZECH REPUBLIC) REUTERS

„Als je al heel hard kunt rennen, waarom wil je dan ook nog over horden springen?” Niet de meest subtiele vraag aan het begin van een gesprek met de achtvoudig Nederlands kampioen hordelopen, maar toch, een prangende vraag. Hordelopen lijkt me namelijk doodeng. Lopen is duurlopen voor mij. Horden zijn hindernissen.

„Hordelopen en sprinten zijn niet zomaar met elkaar te vergelijken”, antwoordt Robin Korving (34) terwijl hij voorzichtig zijn geblesseerde linkerknie ondersteunt als hij in de auto stapt. We zijn op weg naar de atletiekbaan in Alkmaar waar hij mij een clinic hordelopen gaat geven. Vroeger trainde hij daar, de sleutels van het opberghok heeft hij nog.

„Hordelopen is sprinten, verspringen en ritme ineen. Het is een explosieve sport. Ta, ta, ta, TAAH.” Hij klapt vlug met zijn vingers op de palm van zijn andere hand. „Drie stappen en dan een horde. Allemaal in één seconde. In ruim dertien seconden heb je 110 meter gelopen en tien horden genomen. Je moet dwars door die horden willen.”

Daar ben ik nou zo bang voor, vertel ik hem. Voor blessures als je dóór zo’n horde knalt. „Je moet niet bang zijn, maar de horden willen killen”, zegt Robin.

En dat zegt een atleet die door het noodlot is getroffen. In 2000 was Robin Korving geselecteerd voor de Olympische Spelen in Sydney. Zeven minuten voor de start oefende hij nog wat horden, rustig, ter concentratie, en paf: de hak van zijn linkervoet raakte de horde waardoor zijn andere been de klap met grote kracht opving. De pees in zijn knie scheurde af en zijn knieschijf schoot los.

Einde Olympische Spelen. Robin revalideerde snel en verdedigde negen maanden later zijn nationale kampioenstitel, maar eerlijk gezegd was zijn carrière voorbij. Ineens was hij oud-atleet. Op z’n 26ste. „Ik had nog tien jaar mee gekund.” Inmiddels is hij trainer, geeft clinics en volgt hij het tweede jaar van de politieacademie.

We komen aan bij het atletiekveld. De opberghokken zijn vernieuwd, zo ook de sloten. Een groep trimmers in de kantine laat ons binnen. Robin pakt twee horden en een winkelwagentje vol u-vormige haken.

„Zo. Een normale mannenhorde is 1,07 meter hoog. Daar beginnen we maar niet mee.” Robin legt om de paar passen haken op de baan. Die zijn nog geen twintig centimeter hoog. „Ren er maar eens over. Drie passen en dan springen.” Ik ren en spring, ren en spring. Heerlijk.

Robin doet wat knieoefeningen voor. Strak ritmisch, volledig in balans. Ondanks dat hij laatst met squashen zijn knie – de andere – heeft geblesseerd. Binnenkort wordt hij geopereerd.

Waar haal je de kick nog vandaan, vraag ik hem. „Ik ben een adrenalinejunkie. Ik wil knallen, al vanaf mijn vijftiende sinds ik hordenloop. Maar nu kan ik dat niet meer. Dat is soms lastig, ook in de opleiding. Als agent moet je soms rustig koffie drinken met collega’s. Dat kan ik niet.”

„We gaan de start oefenen. Dat is de eerste explosie.” Telkens roept hij: „Met twee benen starten! Vóóruit springen, niet omhoog!” Het lukt mij niet, net zo min als het verspringen. Op één been springt hij moeiteloos veertig centimeter verder dan ik.

Als afsluiter laat hij me een paar keer over twee horden springen. De horden (Robin noemt ze B-juniorenstand, ik noem ze hoog) tellen 91 centimeter. We doen het eerst slowmotion. Ik spring alleen met mijn opzwaaibeen – dat ik ineens blijk te hebben – erover en wissel dat af met mijn bijtrekbeen. Ik ben nog steeds een beetje bang, maar ik voel wat hij bedoelt. Het vliegen. Het dóór de horden willen.

Sprinten is voor watjes, filosofeer ik. Het leven is geen rechte baan, dus waarom alleen rechtvooruit rennen? Horden moet je nemen.

„Concentreren!” Ik ben weer op aarde. „Ta, ta, ta, TAAH. Ritme houden, niet zwabberen met je benen. Opzwaaibeen recht vooruit. Bekken kantelen.” Ik probeer het nog een paar keer.

„Hou maar op”, zegt Robin.

    • Jessica van Geel