De grote witte bol achter de dijk

nrc.next-redacteuren nemen de bus, stoomtrein, tram of metro en stappen uit bij een halte ergens in Nederland.

Vandaag: met het stoomtreintje naar Borssele.

„Een enkeltje kerncentrale, alstublieft.” De mevrouw in het houten loketje van de historische goederenloods in Goes overhandigt ons twee authentieke hardplastic vouchers.

Nee, we mogen niet op het dak zitten. Wel mogen we onze hoofden uit het raam steken, net als de honderd gillende toeristenkindertjes. Met onze knieën op het rode pluche zien we de zon, de zwarte roetpluimen uit de locomotief, de voorbij tuffende John Deere, het rommelige occasionterrein, kronkelende dijkjes, bramenstruiken en het Nisser trekkermuseum. Dít is Zeeland, bezien vanuit het boemeltje Goes-Borsele.

De reis – met de stoomtrein naar de kerncentrale in Borssele – zou ons in één rit langs Neerlands energieverleden voeren. Een heerlijke gedachte. En zo geschikt voor een poëtisch zomerverhaal.

De conducteur in sober jarentwintigpak zet ons eruit in Kwadendamme. Kwadendamme? Borssele is pas de volgende halte. Ja, zegt de conducteur, het dorp Borssele was het eindpunt van de oorspronkelijke lijn. Voor de kerncentrale kunnen we nu het beste hier uitstappen. Borssele ligt in de gemeente Borsele, maar de stoomtrein gaat er niet meer heen. „Hier eruit. De kerncentrale ligt 11 kilometer verderop.”

Beduusd stappen we uit in Kwadendamme. Verzengende hitte. Een enkele bejaarde staart ons aan.

De jongen van de buurtsuper zwaait in westelijke richting. Dáár ergens moet het zijn, en succes met liften. Vriendelijk volkje hier. Kwadendamme – negenhonderd inwoners – blijkt een opgewekte katholieke enclave, ingeklemd door zware Zeeuwse protestanten.

De lokale bluesband organiseert hier een jaarlijks festival, op het grasveld naast de enorme kerk. Er rijden dan 1.500 bikers in flodderige zwarte shirts en bandana’s in het haar het dorpje binnen. Lage wietwolken hangend tussen de zerken op het kerkhof. Op die zondagochtend houdt de kerk een speciale gospelmis, met zangers ingevlogen uit België. Dat zou niet kunnen in het naburige ’s-Gravenpolder.

Na een ommetje langs de verse graven kloppen we aan op de zware houten parochiedeur. Die zwaait open. Een gebruinde vrouw met roze top en teenslippers heet ons welkom. Ze heet Marga en is van het pastorale team.

Marga leidt ons rond in de enorme dorpskathedraal, waar de lokale bevolking twee keer in past. Twee stuivers en een eenzaam dubbeltje in het collectebakje doen vermoeden dat de katholieke wind hier ietwat is gaan liggen. Een invasie van Poolse fruitplukkers houdt de kaarsen nu nog brandend.

Ze heeft het weleens gevraagd. Of de oudere mensen op de bankjes achterin de gewelfde zaal niet wat naar voren wilden komen. Zonder succes. Want al kunnen sommigen het niet meer verstaan, „ze zaten hier altijd al hè”.

Lang was het katholicisme hier verboden, vertelt Marga. Op boerderijen kwam men stiekem bij elkaar. De club groeide en met de Franse overheersing was de kerk niet langer taboe. Naast het kerkhof kwam een schuur. De schuur groeide uit tot kerk („je wilt je toch manifesteren”), er kwam een toren, een klok, glas in lood en – laatste aanwinst – een vorig jaar ingezegend Bonifatiusbeeld inclusief vijvertje. Niet meer dan een kuiltje in de achtertuin, maar toch. Gezegend en, wie weet, geneeskrachtig.

De zon hamert op ons in als we weer buiten staan. We leggen ons neer op de Vreelandsedijk naast een eenzame kliko, duim omhoog. En terwijl de ene na de andere huisvrouw ons voorbij scheurt in een dikke stationwagen, eten we boterkoek.

De Zeeuwse gastvrijheid brengt ons uiteindelijk een eindje op weg richting de kerncentrale. Chauffeur nummer één is „niet te positief” over de centrale, nummer twee, een Zeeuwssprekende Italiaan, woont vlak naast de kerncentrale en geeft naar eigen zeggen „nog net geen licht”.

Daar doemt hij op, de grote witte bol achter de dijk. Omgeven door verschillende gas- en kolencentrales en een enkele windmolen. De Italiaan, zwarte wapperende lokken, gespierde armen onder een modieus blauw shirt, neemt ons mee de dijk op. „Kijk”, zegt hij opgewekt. „Als er iets gebeurt met de kerncentrale, kun je maar het best zo dichtbij mogelijk zijn. In plaats van leukemie ben je dan in een keer dood.”

Dan wijst hij naar het complex van Dow Chemical aan de overkant van het water, in Terneuzen. „Of dát gaat de lucht in. Waar zou je eerder dood aan gaan? Straling of gas?” Hij peinst.

Voordat we de kans krijgen om aan te bellen bij de centrale, trekt hij ons weer de auto in. „En nu ga ik jullie Zeeland laten zien.”

Pal naast de kerncentrale wordt een natuurgebied aangelegd. „Kijk”, zegt hij wijzend naar het glooiende landschap. „Gebobbeld.” De kale veldjes moeten zich nog wat ontwikkelen, want elk nieuw grassprietje wordt aangevallen door een horde schapen.

Als kleine jongen, babbelt de Italiaan, las hij stripboekjes over Nederland. Iedereen op de fiets met klompen. Dat beeld heeft hem nooit meer losgelaten. Hij woonde in Verona. „In Verona heb je alles. Bergen, cultuur, water, bossen.” Maar dat was hij beu. Dus reed hij op de motorfiets naar Oudelande, in de zak van Zuid-Beveland.

Hij had wel naar Brazilië gewild. Witte stranden, palmbomen. Maar Zeeland is ook goed. De polders hier vindt hij wel een beetje lijken op de Povlakte. En in Zeeland heb je appels, peren, cassisbessen en de voormalig langste brug ter wereld.

In zijn huis in Oudelande voert de Italiaan ons zoete Zeeuwse kersen en ranja, terwijl hij moppert over de strenge geloofsleer van zijn dorpsgenoten. Over tv’s verstoppen enzo. Op zijn vensterbank staan beschermengelen. Een flink aantal, „voor het geval er een in slaap valt”. Daarna is het tijd om te gaan. Tijd voor mossels. Nucleaire mossels.