Brassinga neemt afstand van de droefgeestigheid

Anneke Brassinga: Bloeiend puin. Essays en ander proza. De Bezige Bij, 203 blz. € 18,90

Anneke Brassinga: Bloeiend puin. Essays en ander proza. De Bezige Bij, 203 blz. € 18,90

Anneke Brassinga bezit een Frans stripboek over de heilige Theresia, die daarin voortdurend tegen wil en dank in mystieke verheffing opstijgt. Zodat de heilige ‘tierend en bijkans vloekend naar het plafond zweeft in levitatie, terwijl ze juist iets praktisch wilde doen – een ezel bestijgen, een non de mantel uitvegen, noem maar iets’. Het is niet verwonderlijk dat het beeld Brassinga fascineert: ze heeft zelf veel weg van zo’n Theresia. In Bloeiend puin, haar nieuwste bundel prozastukken, probeert ze met alle macht met beide benen op de grond te blijven, maar wordt ze steeds mee omhoog gevoerd. Niet naar een mystieke trance, zoals de heilige, maar naar kunst of literatuur, ver weg van de alledaagse werkelijkheid van gezadelde ezels.

Het is de tweespalt tussen leven en lijden die door de hier gebundelde essays heen loopt. Bij allerlei denkers en dichters zoekt Brassinga naar antwoord op de vraag: ‘Bejahung of Verneinung?’ of, nog eenvoudiger, ‘hoe te leven’? Om daarachter te komen, bestudeert ze filosofen en dichters en leest ze bovendien veel reisverslagen en dagboeken.

De vraag ‘hoe te leven’ wordt geleidelijk de vraag: ‘hoe te lezen’? Brassinga, die evenzeer dichteres is als prozaschrijfster, vindt het antwoord bij de poëzie: daar moet de lezer de tekst niet annexeren, maar ‘aangeraakt’ worden, ‘gehinderd en gestoken’. Misschien verklaart die opvatting dat Brassinga er niet voor terugschrikt weerhaken in haar werk aan te brengen. Neem het archaïsche en elliptische taalgebruik dat ze in haar gedichten en in sommige van haar essays (vooral de lezingen) hanteert: dan rijzen dingen ineens ‘ten zenith’, bloemen zijn ‘bloemekens’ en kasten zijn ‘klederkasten’. Gelukkig begint het Brassinga op den duur ook op de zenuwen te werken: ‘precieuze zinsconstructies of domweg lelijk?’ vraagt ze zichzelf af.

Uit de vraag ‘hoe te lezen’ volgt vanzelf de volgende: ‘hoe te schrijven?’ – schrijf je om iets op het spoor te komen of juist om iets te verbergen, zoals Nietzsche (Brassinga mag hem ‘Friedrich’ noemen) suggereerde? Uit een oeuvre, concludeert Brassinga in een mooi stuk over Proust, kan je iets putten dat ook een vervulling betekent in het leven zelf.

En het lijkt haar warempel te lukken. De altijd wat onthechte en ascetische dichteres Brassinga besluit met een ontroerend essay waarin ze bekent eindelijk thuis te zijn op de wereld, ‘ontwaakt en zonder tristesse’. Ze neemt, zij het niet zonder moeite, afstand van de droefgeestigheid die haar voorheen omhulde. De ironie wil dat het antwoord niet lag in alle dikke en geleerde boeken, maar in het overlijden van haar broer – een moment waarop de schrijfster ‘zichzelf ontvalt’. Alles en niets weten valt samen in de waarheid die de dood blijkbaar is: ‘helderheid waarvan het raadsel me te machtig is’. De confrontatie met de eeuwigheid heeft deze heilige Theresia doen landen op haar ezel.

Yra van Dijk

    • Yra van Dijk