Zogende moeders zijn toch niet om aan te zien

Fanny & Alma gaan elke week van die dingen doen die voor iedereen herkenbaar zijn of juist niet.

Vandaag: het moederschap voor één dag.

Illustratie Het Harde Potlood

Een vrouw zonder kind is als een Snickersverpakking zonder de reep van binnen. Moeder zijn is evident onontbeerlijk in het leven van een vrouw. Zonder kind zal je altijd verdieping in je leven missen, het geeft zin aan je leven. Kortom: moeder zijn is heerlijk. „Maar niet voor mij”, claimt Alma, „ik haat kinderen.” Fanny zet grote ogen op. „Nee, ik moet het anders zeggen. Ik haat alle kinderen van onder de negen. Vóór die tijd kun je niet eens met ze praten. Een baby doet niets. Helemaal niets behalve huilen, poepen en mama missen. En ik ben hun mama niet, dus dan beginnen ze te huilen.” Toch wordt ook Alma vandaag voor een dag moeder. Een baby van twee maanden komt 24 uur in Alma’s huis logeren, en Fanny heeft beloofd Alma te ondersteunen. Fanny is niet eerder zo gelukkig geweest, haar eierstokken maken al dagen rondedansjes. Zo heftig dat Fanny bijna gelooft dat er in haar buik ook een baby groeit. Over een paar minuten komt de baby. „Moeders zijn altijd stipt”, denkt Alma bij zichzelf. Een druppel angstzweet langs haar ruggewervels. Fanny knijpt haar handen samen, ze kijkt alsof de baby er al is. Dan gaat om precies 10.00 de bel. „Dag meiden”, klinkt door de intercom, ook zoiets dat alleen moeders kunnen zeggen.

Ook al is Sarah pas tweeëntwintig, ze heeft toch al veel moedereigenschappen aan zichzelf toegekend. Sarah is een van de beste vriendinnen van Alma, maar aan het kind is Alma nog steeds niet gewend. Het is alsof de baby de leukste eigenschappen van Sarah in een potje heeft gedaan en dat die er pas uit mogen als de baby negen jaar is en hij zelf mee kan doen. Sarah durft ons en de baby slecht te verlaten. Fanny maakt er misbruik van door haar nog even door te zagen over de bevalling.

„Was je niet bang toen het begon?”

„Ach, je kunt eigenlijk niet precies zeggen wanneer het begint. Op een gegeven moment weet je zeker dat het aan de gang is.”

„En belde je toen de vroedvrouw?”

„Ja, maar die vroeg hoeveel tijd er tussen de weeën zat en besloot toen nog een paar uurtjes te wachten.”

Alma knieën worden week. Het woord alleen al, weeën, maakt haar misselijk.

„En hoe wist je dat het echt kwam?”

„Joh, het vlies brak, en er kwam een sloot vruchtwater naar buiten, toen wist ik echt wel dat het tijd was.”

„Deed dat pijn?”

„Welnee, dat breken voel je niet. Die weeën doen pijn, en dat persen erbij is wel lastig, vooral omdat ik geen houding kon vinden die een beetje prettig was, maar het is best te doen. Daarna voelde ik het pas, toen hij eruit was, en de navelstreng afgeknipt was, en de placenta weg was, toen kwam de vroedvrouw met een nietmachine, want natuurlijk scheur je uit en…”

Alma stopt haar vingers in haar oren en begint luidkeels te zingen. „Ophouden, ik kan dit niet horen, baby’s worden op een schone lap aan de moeder overhandigd – verder niets! Geen moederkoek, geen uitgescheurde kutten, geen vlezige navelstrengen. Duidelijk?”

Sara druipt teleurgesteld af. Ze werpt nog een hoopvolle blik op Fanny. Die zal wel zorgen dat haar doedeltje niets tekort komt. In de deuropening herhaalt Sara wat ze al tien keer heeft gezegd: „De flesjes staan in de koelkast. Ik heb vier dagen gekolfd om het bij elkaar te krijgen. De fles meteen uitkoken en geen restje bewaren. Als hij niet wil slapen moet je hem op z’n buik leggen.”

„Als het op baren aankomt ben ik net een ouderwetse man”, zucht Alma. „Het liefst zou ik tijdens mijn eigen bevalling sigaren roken in de wachtkamer. Ik wil niets van die troep afweten. Ik vind zwangere vrouwen lelijk en ik vind zogende moeders niet om aan te zien met die lektieten. Ik haat mannen die samen op zwangerschapscursus gaan en die al in de derde maand een jongevadersboek kopen en daarmee paraderen. Ik vind ongesteld zijn al zo vies, dus wat moet ik nou met zo’n dikke buik waarin zich allemaal troep opstapelt om dat kind heen. Mijn moeder woog na de bevalling acht kilo minder dan daarvoor, en toch woog ik maar drie kilo. Vijf kilo vuil. Gatver.”

Op dat moment begint Polle te huilen. Fanny’s ogen lichten op. Het is eng hoe snel ze na haar middelbare school van gedachte is veranderd. Toen wilde ze liever door een weide vol koeienstront rollen dan dat ze een kind wilde baren. Maar nu ziet ze een paar kleine kinderen wel door haar huis rennen, als er wat meer ruimte zou zijn. Ze stelt zich voor hoe ze de huizen om haar studentenkamertje heen zal opkopen. Zes kinderen rennen verheugd naar beneden als zij de grootste appeltaart ooit gebakken in het raamkozijn zet om af te koelen. Een groot gezin. Maar voor een groot gezin is heel veel tijd nodig. Eigenlijk moet ze dan volgend jaar al beginnen. En om de drie jaar baren. Vreemd, kinderen leken altijd gewoon op te duiken in het leven van een volwassene, Fanny had nooit gedacht dat je ze ook werkelijk moet inplannen.

Polle sputtert nog zacht door in de armen van Fanny. Zijn ogen kijken glazig, vier vingertjes krullen zich om de pink van Fanny. „Waarom is dat toch altijd zo schattig? Dat kan ik toch ook?” Alma krult haar worstjes om Fanny’s andere pink heen. Ze lijkt niet onder de indruk. „Wat als ik nooit moeder word?” „Dan word je nooit dik en krijg je nooit dikke tieten.” „Nee. Wat als ik al die keren voor niks doodvoorzichtig ben geweest in bed en ik onvruchtbaar blijk? Ik wilde nooit moeder worden, maar nu wel.” Alma kijkt haar spottend aan. „Begint het biologische klokje nu al te tikken? Mens, je bent pas 22. Denk toch eens aan de voordelen van géén kinderen. Uitgaan wanneer je wilt, thuiskomen wanneer je wilt, zuipen zoveel je wilt, roken.” „Ik rook niet eens!” Alma gaat onverstoorbaar door. „Geen loting voor de peuterspeelzaal, niet in de rij hoeven staan bij de wipkip, niet zien dat er kattendrollen in de zandbak liggen.”

Fanny kijkt dromerig voor zich uit en denkt aan van die piepkleine jurkjes kopen bij Oilily, op skates achter de wagen door het Vondelpark rijden, bij haar moeder op bezoek gaan die Olleke Bolleke Boterknolleke met haar doet, eerste stapjes aan haar handen, aan het voorlezen van Floddertje. Ze zucht diep. „Als vrouw kun je in deze tijd twee dingen doen”, zegt ze. „Of vroeg kinderen krijgen, als je nog studeert en nog aan je carrière moet beginnen. Of laat, als je al carrière hebt gemaakt. Alma, als jij nou op je veertigste een kind krijgt, en ik nu, kunnen we dan alvast afspraken maken over het oppassen?”

Polle trekt grimassen die vanzelf overgaan in huilen. „De fles”, constateert Alma. „Je kunt er niet vroeg genoeg mee beginnen.” Ze zet resoluut de moedermelk in een pan kokend water, probeert walgend of die warm genoeg is, en dwingt de speen in zijn mond. Polle maakt spugende bewegingen en drinkt niet. „Hij heeft een poepluier!” juicht Fanny. Ze legt hem op Alma’s eettafel, knoopt zijn beeldige rompertje los en deinst dan terug. „De billendoekjes? Waar zijn ze?” Alma kijkt in de tas die Sarah meegegeven heeft. Er zitten geen doekjes in. Ze pakt een vaatdoek en gooit die naar Fanny. „Nee, wc-papier”, roept ze. Ze begint de stront van het kontje te schrapen. „Op je dertigste, dat lijkt me ideaal.”

    • Alma Mathijsen
    • Fanny van de Reijt