Vooral mijn vader wil dat ik rijk word

Meer en langer doorwerken is het devies van de huidige generatie babyboompolitici.

Maar naar de jongeren die dat moeten gaan doen, wordt helemaal niet geluisterd.

Illustratie Merlijn Draisma Draisma, Merlijn

Mijn vader roept al zolang ik me kan heugen dat ik mijn diploma’s moet verzilveren in het bedrijfsleven. Daarmee bedoelt hij dat ik veel geld moet verdienen. Van baan veranderen, of een nieuwe studie volgen is uit den boze. Maar voor mij niet.

Dat verschil in inzicht is onderdeel van een generatiekloof. Hij lijkt zich niet te realiseren dat ik andere waarden, voorkeuren en prioriteiten heb. Ook politici hebben dat besef vaak niet. Het is algemeen bekend dat politici weinig aandacht hebben voor de twintigers en dertigers. Uit electoraal oogpunt is het immers veiliger om de belangen van de babyboomers te behartigen. Dat geldt ook voor vakbonden. Hun achterban bestaat vooral uit ouderen. En de belangrijkste adviesorganen zoals de Sociaal Economische Raad (SER), en meer recent de commissie-Bakker, bestaan zelf vooral uit mannelijke 50-plussers. Jongerenvakbonden zoals FNV-jong en CNV-jong zijn weinig populair, en het is de vraag hoeveel gewicht zij in de schaal kunnen blijven leggen.

Jongeren zullen daarom nu al veel meer moeten worden betrokken bij het politieke besluitvormingsproces. Hun belangen zullen beter moeten worden behartigd, temeer omdat ze in de nabije toekomst enorme verantwoordelijkheden zullen dragen. Zo zal een groot deel van de kosten van de vergrijzing door hen moeten worden opgevangen.

Maar met belangen bedoel ik niet slechts financiële belangen. De twintigers en dertigers van nu zijn beter opgeleid dan hun ouders en hebben, door de schaarste op de arbeidsmarkt, meer mogelijkheden. Het kan niet anders dan dat zij een andere kijk op de wereld hebben. Zo is werk vaak niet het enige belangrijke in hun leven. Dit wordt helaas niet altijd begrepen door de oudere generatie.

In het onlangs verschenen rapport van de commissie-Bakker worden de waarden en voorkeuren van jongeren onvoldoende gerepresenteerd. In het rapport wordt namelijk zeer veel nadruk gelegd op werk. „Werk is leuk”, „goed voor het zelfvertrouwen” en „goed voor sociale contacten”, aldus de commissie. Inderdaad, werken kan leuk zijn, maar in de praktijk blijken er voor jongeren ook minpunten aan te kleven. De mannelijke bedrijfsculturen bijvoorbeeld, waardoor in sommige sectoren het maar moeilijk wordt geaccepteerd dat je als man in deeltijd werkt of een papadag hebt.

Bovendien botsen energieke jongeren met innovatieve ideeën geregeld met behoudzuchtige ouderen. Over bedrijfsculturen die jongeren belemmeren in hun ontwikkeling, wordt in het rapport bijna met geen woord gerept. De arbeidsmarkt wordt weliswaar hervormd, maar de oude, achterhaalde arbeidsideologie blijft van toepassing. Het is niet meer van deze tijd om te blijven volhouden dat men, om carrière te maken, fulltime moet werken.

Toch gaan ook jongeren niet vrijuit. In plaats van alleen te klagen over de belabberde kinderopvang, de ontoegankelijke woningmarkt en de stress in het spitsuur van het leven, zouden zij zich veel meer moeten verdiepen in de complexe materie rondom bijvoorbeeld pensioenen, arbeidsmarkt, onderwijs, en sociale zekerheid. Ze moeten zich beter gaan organiseren en meer inspraak eisen. Alleen dan kunnen zij tegenwicht bieden aan de babyboomers. Maar dan moet er natuurlijk wel naar de jongeren worden geluisterd. Anders draait het uit op een generatieconflict.

Een voorwaarde voor een vruchtbaar contact is dat geen enkel onderwerp wordt geschuwd. Er zal stevig moeten worden gediscussieerd over bijvoorbeeld langer doorwerken voor 55-plussers. De huidige jongeren willen best verantwoordelijkheden dragen en het sociale zekerheidsstelsel behouden. De vraag is echter tegen welke prijs. Doorwerken tot 67 jaar, of zelfs langer, is in tegenstelling tot veel 55-plussers, voor jongeren misschien geen heikel punt. Maar dan moet er wel een balans worden gevonden tussen werk, zorg, en vrije tijd in een, zoals socioloog Dick Pels dat onlangs nog in deze krant verwoordde, „ontspannen samenleving met minder druk en meer vrije tijd”.

Dus in plaats van af te keuren dat jonge, hoogopgeleide vrouwen niet of in deeltijd werken, moeten we meer inspelen op de behoeftes die zij hebben. Dan kunnen we ook ophouden over het verhogen van het kindertal, zoals minister Rouvoet (Jeugd en Gezin, CU) voorstelde. Want dat is geen instrument tegen de vergrijzing, maar slechts een manier om de druk op jongeren op te voeren.

En wat mijn vader betreft, ik zal blijven proberen hem te overtuigen van het feit dat de wereld de laatste dertig jaar toch echt is veranderd.

Gerardo Soto y Koelemeijer (32) is wiskundige en literatuurwetenschapper.

    • Gerardo Soto Y Koelemeijer