Pieter versus Big Chief

Hij is al gebombardeerd tot mega-, giga-, super- en wat-al-niet-Ster van de Spelen. Niet alleen van die van Peking, maar meteen maar van de hele geschiedenis.

Het gemak waarmee de geweldenaar tijdens zijn eerste optreden tegenstanders verpulverde, was overdonderend en riep bij mij associaties op met twee prachtscènes uit de speelfilm One flew over the cuckoo’s nest.

Het verhaal van de film, met in de hoofdrol Jack Nicholson, speelt zich af in een psychiatrische kliniek in de VS. Nicholson, patiënt in de kliniek, is de aanvoerder van het basketbalteam van patiënten dat het opneemt tegen het team van het verplegend personeel. De patiënten worden ingemaakt, hebben geen schijn van kans. Tot Nicholsons medepatiënt en vriend Chief opstaat. Chief is een reusachtige Creek indiaan (Will Sampson), die zich voor iedereen doofstom houdt maar dat niet is. Chief is zó lang dat hij de basketbalwedstrijd naar zijn hand zet, met het grootste gemak denkbaar. Hij loopt in alle rust maar met geweldige passen naar de basket van de vijand en legt daar, ongehinderd door spartelend opspringende tegenstanders, de bal in het netje. Om vervolgens kalm terug te lopen naar zijn eigen basket, daar de bal buiten bereik van iedereen uit de lucht te plukken waarna hij met vijf stappen weer bij het vijandelijke doel staat om opnieuw te scoren. En nog eens. En nog eens.

Met een vergelijkbare overmacht zwom de Amerikaan Michael Phelps zich naar zijn eerste gouden medaille in Peking. Maar Phelps is gekomen voor acht (8!) gouden medailles. Waarmee hij dus de grootste aller tijden... enzovoort.

De cijfer- en statistiekfetisjisten gaan in hun wens om een Nieuwe Grootste te kunnen uitroepen wel erg gemakkelijk voorbij aan bijvoorbeeld de astmatische roeier Steve Redgrave – goud in ’84, ’88, ’92, ’96, én 2000. Na zijn derde gouden medaille zal Redgrave toch ernstig getwijfeld hebben aan zijn vermogen daar nog eens, vier jaar later, een vierde aan toe te voegen. Laat staat staan een vijfde, acht jaar later.

Phelps zal na medaille nummer vier in Peking denken: halverwege en nog vier te gaan. Het treurige voor Phelps is dat alles minder dan acht keer goud zal worden uitgelegd als ‘er had toch meer ingezeten’. De overmacht van Phelps is zo enorm, dat andere wereldkanonnen als Van den Hoogenband en Lochte even kansloos lijken tegen deze Big Chief als het verplegend personeel in de film tegen de Creek indiaan.

Pieter van den Hoogenband zal de laatste olympische race uit zijn leven zwemmen tegen de Big Chief van Peking. Als alles gaat zoals de rest van de wereld verwacht, dan is Pieter als Jack Nicholson in een andere, ook schitterende scène uit One flew over the cuckoo’s nest. Nicholson zegt dat hij het onmogelijke gaat doen. Hij zal een honderden kilo’s zware vastgemetselde fontein op eigen kracht uit de grond trekken. En sluit daarop, weergaloos bluffend, een weddenschap af. Na een bloedstollende, ijzingwekkende inspanning waarin hij spieren scheurt en vingers breekt, spreekt Jack de onroerende woorden van een man wiens geest ongeknakt is: ‘At least I tried.’

Van den Hoogenband kan als eerste zwemmer drie keer olympisch goud winnen op het koningsnummer. Dat is zelfs Tarzan Weismüller niet gelukt.

Donderdag, 04.45 uur. De laatste race. Pieter tegen Big Chief.

Tom Egbers

Wilfried de Jong is met vakantie.