Peukneuken

We kennen allemaal de gebaren die erbij horen, ook doordat ze zo vaak in films te zien zijn geweest: het aansteken van de ene sigaret met de andere. Tussen mannen is het doorgaans, althans in films, een teken van broederschap. Tussen man en vrouw een teken dat er iets in de lucht hangt: seks meestal. Het heeft dan ook iets intiems: je deelt iets dat tussen jouw lippen heeft gezeten, dat met jouw speeksel is bevochtigd. Het is bijna als kussen, maar dan indirect – door rook omgeven.

Maar goed, hier is de vraag: hoe heet deze handeling? Hedendaagse jongeren noemen dit overneuken. Voorbeeldzin, aangedragen door een zestienjarige: „Geef je peuk effe, dan kan ik ’m effe overneuke.” Elders is aangetroffen, voor dezelfde handeling: peukneuken – een woord dat z’n charme ontleent aan het binnenrijm.

De Amerikanen hebben het in dit verband over a Dutch fuck („I lost my lighter, give me a Dutch fuck, would you”), een woordcombinatie die zonder twijfel voortkomt uit de zuinige associaties die het woord Dutch in het Engels oproept. A Dutch treat voor ‘de kosten delen’, going Dutch – u kent er vast wel een paar.

De Grote Van Dale kent aanpijpen als ‘informeel’ woord voor ‘zijn pijp of sigaar aansteken’. Erg algemeen lijkt dit niet te zijn geweest, althans niet in de vaderlandse literatuur. Zelfs het Woordenboek der Nederlandsche Taal, dat dit woord in 1865 opnam, had er geen vindplaatsen voor paraat. De redacteur voegde daarom zelf enkele voorbeeldzinnen toe: „Kom, ik wil nog wel eens aanpijpen. Het is nog vroeg, pijp nog eens aan. Mijne sigaar is uit, mag ik eens bij u aanpijpen?”

In die laatste voorbeeldzin lijken we overigens te maken te hebben met een voorloper van het huidige peukneuken, maar dan met sigaren.

In Zuid-Holland, in de Alblasserwaard, is aanvinken aangetroffen voor ‘het aansteken van pijp, sigaar of sigaret’. Wie zelf geen vuur bij zich heeft, vraagt erom. Opvallend vaak gaat het dan opeens om een vuurtje. Je hebt natuurlijk altijd mensen die het net een beetje anders willen zeggen. Die vragen dan bijvoorbeeld om een vlammetje. Zo had je vroeger mensen die niet om een lucifer vroegen, maar om een vlamhoutje. In de vierde editie van de Grote Van Dale, die verscheen in 1898, is zelfs het volgende dialoogje te vinden: „Heb-je een vlammetje voor me?” „Neen, maar wel een vlamhoutje.”

Lang gebruikte men overigens gloeiende kooltjes om pijp of sigaar mee aan te steken. Zo’n kooltje werd bewaard in een speciaal bakje, de zogeheten tabakskomfoor. „Hoe ver ligt in 1887 het tijdvak achter ons”, schreef Nicolaas Beets in Na vijftig jaar, „dat de goudsche pijpen nog fatsoenlijk waren, dat, met het kwispedoortje in het midden, tabakskistje en tabakskomfoor in elke burgerhuiskamer behoorlijk tegenover elkander op die commode pronkten, waaronder de pijpenlade geschoven stond! Toen hadden burgerheeren den tijd ‘een pijp bij elkander te komen rooken’ en, als de pijp uit was, ten minste ‘nog twaalf blaadjes’. Toen werd nog zelfs in de huizen, waar nooit of niet meer gerookt werd, aan den predikant, die op bezoek kwam, nog altijd een pijp ‘gepresenteerd’.’’

En als die pijp uitging, aldus Beets, kon het gebeuren dat de predikant een pijpenrager uit zijn hoed trok, die daar een vaste plaats had – want ook predikanten rookten ooit als ketters. (Wordt vervolgd.)

Ewoud Sanders

Reacties naar sanders@nrc.nl