Nationale Palestijnse dichter werd sarcastischer

Mahmoud Darwish was met zijn relatief eenvoudige, beeldende taal een van de voornaamste Arabische dichters.

Foto NRC Handelsblad, Leo van Velzen Velzen, Leo van

Buiten het overvolle Cultuurpaleis in Ramallah moesten begin vorige maand zelfs videoschermen worden geplaatst. Duizenden mensen in de Palestijnse stad wilden dichter Mahmoud Darwish horen, die zijn nieuwste werk voorlas. Het blijkt het laatste optreden van de ‘nationale Palestijnse dichter’ te zijn geweest: zaterdag overleed de 67-jarige Darwish in het Amerikaanse Houston, waar hij eerder een hartoperatie had ondergaan.

Darwish was een van de voornaamste hedendaagse Arabische dichters, een outsider voor de Nobelprijs en een graag geziene gast op internationale poëziefestivals. Hij publiceerde meer dan dertig bundels en zijn werk werd in twintig talen vertaald. Hij was ook politiek actief: vijf jaar lang was hij lid van het uitvoerend comité van Yasser Arafats PLO.

Het lot van de Palestijnen is vanaf zijn debuut het thema van zijn werk geweest. Daarbij onderscheidde Darwish zich door een relatief eenvoudige, beeldende taal, die voor een veel breder publiek toegankelijk was dan veel van de meer traditionele Arabische dichters. Zo schreef hij enkele jaren geleden in een door Hafid Bouazza vertaald gedicht ‘De zee is onze verdwazing, onze vervreemding en ons speelgoed/ En de zee is de vernietigde aarde van onze kreet/ En de zee is ons evenbeeld/ Wie geen grond heeft/ Heeft ook geen zee’.

Palestina nam in zijn werk de gedaante aan van een beminde vrouw, zo vaak dat het wel leek of ál zijn liefdespoëzie in wezen politiek was, zei hij in 1994 in een interview met deze krant: „Vooral Palestijnen kunnen zich niet goed voorstellen dat ik sommige gedichten heb geschreven met een bepaalde vrouw of met bepaalde individuele gevoelens in mijn hoofd. Zij kunnen zich niet voorstellen dat er iets belangrijkers is dan de zaak, de strijd, dan Palestina.” Over zijn Israëlische critici, die hem onder meer verweten geweld niet af te wijzen, zei hij in hetzelfde gesprek: „Zij beschouwen mij als een concurrent in de liefde. Het is alsof wij van dezelfde vrouw houden.”

Darwish werd op 13 maart 1941 geboren in een grote Palestijnse familie in wat nu noord-Israël is. Het gezin werd in 1948 verbannen, maar keerde na enkele jaren terug. In de jaren zestig debuteerde Darwish met de bundel Vogel zonder vleugels. In 1964 publiceerde hij het inmiddels klassieke gedicht Identiteitskaart, waarin een Arabische man demonstratief het nummer van zijn identiteitskaart geeft (‘nummer vijftig duizend/ Ik heb acht kinderen/ en de negende komt na de zomer/ Zult u kwaad worden?’) en zweert naar zijn land te zullen terugkeren.

Hij vertrok in 1970 naar de Sovjet-Unie en verbleef later in Frankrijk, Egypte, Tunesië en Libanon, waar hij voor kranten en tijdschriften werkte. Hij werd in 1973 lid van de PLO. Hij schreef de Palestijnse onafhankelijkheidsverklaring in 1988. Vijf jaar later zou hij het het uitvoerend comité van die organisatie verlaten uit onvrede met de Akkoorden van Oslo, de overeenkomst waarbij Israël het Palestijnse recht op zelfbestuur erkende. In 1995 vestigde hij zich in Ramallah. Darwish kreeg vele onderscheidingen, zoals de Prins Claus Prijs in 2004.

Van een verzetsdichter werd hij steeds meer een gewetensdichter, zeer kritisch over Israëliërs en Palestijnen. Zijn laatste poëzie noemde hij ‘sarcastisch’: „Sarcasme helpt me over de hardheid van de realiteit heen te komen, het verlicht de pijn van littekens en maakt mensen aan het lachen.”

Darwish was al tweemaal aan zijn hart geopereerd. Bij zijn laatste optreden las hij het gedicht De Dobbelaar voor: ‘Tegen het Leven zeg ik: Ga langzaam, wacht op me tot de dronkenschap in mijn glas opdroogt/ Ik heb geen rol in wat ik was of wie ik wil zijn/ Toeval is het en toeval heeft geen naam/ Ik roep de dokter 10 minuten voor de dood, 10 minuten zijn genoeg om in het toeval te leven.’

    • Arjen Fortuin