Kaukasus: achter elke berg een ander volk

Het Kaukasusgebergte herbergt talloze volken die ieder een geheel eigen identiteit hebben. Het noorden hoort bij Rusland, al heeft Moskou er nooit echt vat op kunnen krijgen.

De Kaukasus, door de Arabieren ook wel ‘de berg der talen’ genoemd, is een bergachtige lappendeken waarin talloze volkeren met elk hun eigen religie en culturele tradities wonen. Er worden talen gesproken uit zeer verschillende taalgroepen: vooral Russisch en Turkse talen, maar de Osseten spreken bijvoorbeeld een afgeleide van het Perzisch.

Sommigen zijn sunnitisch, anderen shi’itisch, weer anderen al sinds vroege tijden christelijk, zoals de Armeniërs en de Georgiërs die een duizenden jaren oude cultuur en eigen alfabetten hebben. Elders wonen bergvolken zonder geschiedenis, stammen en clans van herders en kleine boeren die hun dalen nauwelijks uitkomen: vreemden voor hun buren.

De zuidelijke Kaukasus bestaat uit drie voormalige Sovjet-republieken die in 1991 onafhankelijk werden: Azerbajdzjan, Armenië en Georgië. Zij hebben hun eigen autonome regio’s. In Georgië ligt Zuid-Ossetië, de brandhaard waar Tbilisi en Moskou sinds donderdag een oorlog uitvechten, Abchazië waar nu een tweede front is ontstaan en verder het islamitische Adzjarië dat de laatste jaren redelijk neutrale betrekkingen met Tbilisi onderhoudt.

In Azerbajdzjan ligt Nagorny Karabach, de door Armeniërs bevolkte enclave die zich van 1988 tot 1994 heeft vrijgevochten en tot op heden een onderwerp van conflict is tussen Bakoe en Jerevan.

Turkije, dat in het zuiden aan Georgië grenst, is een natuurlijke bondgenoot voor de Turkstalige volkeren in de Kaukasus.

De noordelijke Kaukasus is Russisch gebied, al heeft Moskou er nooit veel vat op kunnen krijgen. Het gebied is administratief opgedeeld in zeven Russische deelrepublieken: Adygië, Karatsjajevo-Tsjerkessië, Kabardino-Balkarië, Noord-Ossetië, Ingoesjetië, Tsjetsjenië en Dagestan. Ook delen van de Russische regio’s Krasnodar, Stavropol en Rostov kunnen tot de noordelijke Kaukasus worden gerekend.

Met name in Tsjetsjenië, maar ook in Ingoesjetië en Dagestan hebben door Moskou gestuurde Russische militairen en separatisten in de jaren negentig een bloedige strijd gevoerd: de (moslim-) separatisten voor onafhankelijkheid, Moskou daartegen.

In Tsjetsjenië, waar van november 1994 tot juni 1996 en van oktober 1999 tot februari 2006 twee bloedige oorlogen werden uitgevochten, is de door Moskou gesteunde president Ramzan Kadyrov er min of meer in geslaagd met harde hand het geweld te onderdrukken, maar in Dagestan en Ingoesjetië vallen nog vrijwel elke dag doden bij geweld tussen Russische veiligheidstroepen en separatisten. Het Kremlin benoemt tegenwoordig de presidenten in de deelrepublieken: de huidige bestuurders zijn allen door oud-president Poetin aangesteld of hebben zijn goedkeuring gekregen.

Noord-Ossetië is vooral bekend van de stad Beslan waar in 2004 in een school 334 mensen (vooral kinderen) omkwamen na een dagenlange gijzeling door Tsjetsjeense terroristen en de daaropvolgende hardhandige bevrijding door Russische speciale eenheden.

Roeslan Aoesjev, oud-president van Ingoesjetië, waarschuwt in een interview in de Russische krant Novaja Gazeta voor overslaan van het geweld vanuit de opstandige gebieden in Georgië naar Ingoesjetië en de andere Russische deelrepublieken. Volgens hem zullen zowel de door Moskou gesteunde regimes als separatisten de gelegenheid aangrijpen om onrust te stoken onder de bevolking, die wordt geteisterd door hoge werkloosheid, corruptie en algemene uitzichtloosheid. In de woorden van Aoesjev gaat het om „jonge mensen die in niemand meer geloven. Zij trekken de bergen in. Dat geldt voor Tsjetsjenië, Ingoesjetië, Karatsjajevo-Tsjerkessië en Dagestan”.