Hommelbier

Raar is dat met poëzie, dat die, uit haar verband gerukt natuurlijk, zo vaak zo enorm toepasbaar is. Terwijl het ineens oorlog was in Ossetië, liepen wij, over de resten van een andere, eerdere oorlog, door Ieper, dronken er biertjes die Pater heten of hommelbier en lachten – „toch tuk op een wreedaardig geluk”. (Hugo Claus)

Je kunt, zeker als je naar Watou gaat, het kleine West-Vlaamse dorp dat zichzelf elke zomer in een overweldigende tentoonstelling van poëzie en beeldende kunst verandert, hele dagen toepasselijk citerend rondlopen. „Dichters, we lezen ze met droge ogen.” (Gerrit Komrij).

’t Is natuurlijk een onzinnig soort van citeren, losse regels ertegenaan gooien. Daarbij een gezicht trekken alsof je enorme diepte en rijkdom hebt toegevoegd aan je conversatie. Citeren hoort uit de volheid te gebeuren, uit de volheid van de kennis van het hele gedicht, dat, zelfs als je het niet helemaal uit je hoofd kent, toch op de achtergrond meedoet. Waardoor het citaat geen bon mot is, maar een representant. Zoiets.

Maar in Watou sta je onder een douche van gedichten en er kleven naderhand allerlei regels op de huid.

Net zoals je met vreemde beelden blijft zitten die zich zomaar voor je ogen schuiven als je je eigen goeiige tuin in kijkt. Dan zie je in plaats van roze floxen een halfverdronken dennenbos, pikzwart, ongelooflijk stil en angstaanjagend. (Anne Wentzel, Silent landscape). Je weet niet wat daar gebeurd is, ook niet of je het wilt weten – je zou dit helemaal niet gezien willen hebben, het is bijna onbehoorlijk dat je nu in die aardige tuin kijkt terwijl ergens, elders, zulke bossen – „Niet zonder reden daalden bossen uit de hemel neer”, weet Peter Theunynck.

Je zou best gek kunnen worden van kunst.

Het zou je bijvoorbeeld kunnen gebeuren dat je nu door je eigen huis kleine verkeersvliegtuigen ziet vliegen, ze gaan in nette stromen de gang door, sommige slaan af naar de studeerkamer, in de keuken landen ze rustig op het aanrecht, taxiën naar het koffiezetapparaat, of stijgen op van de tafel, vliegen vlak onder het plafond, waarop je hun kleine schaduw ziet, geworpen door de lager hangende lamp. (Hiraki Sawa, Dwelling) Eerst lijkt het vreemd, dat zelfstandige opereren van vliegtuigen in huis, maar het went opmerkelijk snel en het geeft het gevoel dat er nuttig werk wordt verricht: verkeersstromen, bestemmingen, luchtroutes – orde. Zelfs een onopgemaakt bed, of een onafgewassen aanrecht krijgen een zeker aanzien, ze dienen als achtergrond bij de wereld van de verkeersvliegerij, die natuurlijk door moet gaan, altijd maar door, de wereld staat niet stil.

Alles is bedacht. Alles heeft bedoeling.

In de kunst. Maar nu zit ik hier thuis en speur de omgeving af op onverwachte effecten. Je moet nog een pooslang beter kijken van je ogen, als je door de geheimzinnige schuren van Watou hebt gedwaald, op het kerkhof stemmen hebt gehoord. Er is meer te zien dan je vermoedt. Kijk om je heen. Denk verderop.

„Wij stoken ’s avonds vuur met oude kranten/ En lezen as.” (Leonard Nolens)