Geen dip maar blijvend vergrijsde bevolking

De discussie over het lage geboortecijfer, over de vergrijzing en over de economische gevolgen daarvan, is zeker geen gepasseerd station, meent B.M.S. van Praag.

Geen dip maar blijvend vergrijsde bevolking Tekening Ruben L. Oppenheimer Oppenheimer, Ruben L.

‘Kinderen maken vergrijzing niet goedkoper’, kopt NRC Handelsblad op 2 augustus: ,,Veel politici lijken te denken dat meer kinderen de lasten van vergrijzing kunnen verlichten. Economen denken van niet.” In het artikel, geschreven door Ben Vollaard, komt Gijs Beets van het demografisch instituut NIDI aan het woord.

Inderdaad is er een politieke stroming – die van André Rouvoet en zijn getrouwen – die voorzichtig bepleit de vergrijzing te bestrijden door in Nederland een meer gezinsvriendelijke politiek te gaan voeren, maar om nou te suggereren dat daarvoor een breed politiek draagvlak zou zijn, lijkt mij vooralsnog bezijden de waarheid.

Toch komt de gedachte dat het huidige lage kindertal per vrouw (ca. 1,7) wel eens wat te maken zou kunnen hebben met de waargenomen vergrijzing, mij niet ongerijmd voor. Sterker nog, het is demografisch gesproken volstrekt juist. Lage fertiliteit, zoals in Europa, gaat samen met een vergrijsde bevolking. De vergrijzing kan in beeld gebracht worden door de zogenaamde old age dependency-ratio: het aantal 65-plussers gedeeld door het aantal tussen 15- 65 jaar.

Volgens recente voorspellingen van de Duitse demograaf en sconoom Rainer Münz blijkt deze old-age dependency-ratio voor Nederland van 20 procent in 2000 in 2050 op te lopen tot 38,6 procent. Of anders gezegd: moesten in 2000 vijf werkers één gepensioneerde verzorgen, dan loopt dat in 2050 volgens Münz terug tot minder dan drie. Wanneer we ervan uitgaan dat in Nederland 15-jarigen nog niet werken, maar dat men begint op de leeftijd van circa 20 jaar, dan wordt die verhouding nog een stuk ongunstiger. Uiteraard heeft dit niet alleen te maken met de lage vruchtbaarheidsratio van ca. 1,7 maar ook met het feit dat de levensverwachting de laatste decennia elke tien jaar met zo’n 2 jaar is opgelopen.

Niet alleen uit deze kille cijfers, maar ook observaties omtrent lerarentekorten, personeelstekorten in de zorg, leeglopend Zuid-Limburg en soortgelijke observaties in andere Europese landen, overgaand in een situatie van lichte paniek in Zuid- en Oost-Europa, doen ons denken dat vergrijzing zo zijn bezwaren heeft. Uiteraard staat daar tegenover dat de overblijvers meer ruimte krijgen, wat voor het dichtbevolkte Nederland vanzelfsprekend ook relevant is.

Nu zijn die voorspellingen altijd afhankelijk van aannames over geboorte, sterfte en migratiepatronen. Dat geldt voor de voorspellingen van Beets van het NIDI evenzeer als voor die van Münz. Niettemin lijkt de trend onweerlegbaar. Een daling in de vruchtbaarheidsratio leidt op een termijn tot een stijging van de afhankelijkheidsratio. Hierbij zijn er echo-effecten – als de relatief grote cohorten van kleinkinderen van de babyboomgeneratie in de vruchtbare leeftijd komen – maar dat neemt niet weg dat na enige decennia de leeftijdsverdeling stabiel wordt. Bij een fertiliteit van ca. 1,7 zal die leeftijdsverdeling anders zijn dan een die correspondeert met een cijfer van 2,1. Er zal een blijvende vergrijzing zijn.

En daar zit hem in de kneep in het artikel. Ik citeer Gijs Beets: „[...] in 2033 is de vergrijzing al bijna voorbij.” Dit is echt niet waar te maken. Door de genoemde echo-effecten zal de fertiliteit en de dependency-ratio wat schommelen, maar bij een blijvende lage fertiliteit is er een nieuwe stationaire, vergrijsde leeftijdsverdeling . Volgens schatting van de VN, die ik haal uit een recent artikel van Beets in het demografisch tijdschrift Demos zou voor West-Europa de mediane leeftijd in 2000 van ruim 40 jaar oplopen naar 46 jaar in 2050.

Maar nu het kostenaspect, waar ‘economen’ zo hun gedachten over hebben. Inderdaad moet aan het begin van de rit door de staat nogal wat in kinderen worden geïnvesteerd. Het gaat hier om onderwijs en andere jeugdgerelateerde kosten. We willen toch niet dat onze kinderen opgroeien tot analfabeten die geen staartdeling meer kunnen maken. Dit zijn investeringen in menselijk kapitaal met grote externe effecten voor de gemeenschap. Het is ook juist dat wanneer de vruchtbaarheid toeneemt – en dus het aantal kinderen weer zou stijgen – dit uiteraard tot meer kosten voor de gemeenschap zal leiden.

Wanneer we zouden aannemen (quod non) dat in 2008 met succes een pronatalistische politiek op de rails zou worden gezet, die gedurende decennia zou worden gecontinueerd, dan leidt dit dus tot blijvende meerkosten voor de staat, met name voor onderwijs. Het effect is echter dat bij gestegen fertiliteit de leeftijdsverdeling in de komende decennia minder grijs zal worden dan ons nu te wachten staat, en dat als die extra kinderen aan het werk gaan, ze ook zullen leiden tot een extra opbrengst van belastingen en premies.

Als we daarentegen de vergrijzing op zijn beloop laten, zullen de kosten voor onderwijs als percentage van de nationale uitgaven verder dalen, maar de relatieve kosten voor bejaardenzorg aanzienlijk stijgen.. Eigenlijk zou zo’n pronatalistische politiek meer effect hebben gesorteerd wanneer ze een vijftien jaar geleden zou zijn begonnen, toen de fertiliteitscijfers dramatisch begonnen te dalen. Nu worden wij pijnlijk met het adagium geconfronteerd dat ‘de kost voor de baat uitgaat’ en dat wij de meerkosten van een pronatalistische politiek zouden moeten dragen zonder dat daar meteen gestegen ontvangsten voor de staat tegenover staan.

Uiteraard zitten aan het onderwerp vele aspecten die binnen dit bestek onderbelicht blijven. De hamvraag is natuurlijk wat voor bevolkingsomvang en leeftijdssamenstelling wij voor ons land wenselijk achten. Er zijn velen die het ruimteaspect zo zwaar laten wegen, dat zij een bevolkingskrimp verwelkomen, zelfs als dit gepaard gaat met blijvende vergrijzing. Er zijn ook stemmen die betwijfelen dat politieke maatregelen ouders kunnen beïnvloeden om meer kinderen te krijgen. En er zijn mensen die ethische bezwaren hebben tegen overheidsinvloed in deze. We moeten deze zaken hier helaas buiten beschouwing laten.

Het gaat er hier slechts om bezwaar aan te tekenen tegen een onjuiste voorstelling van zaken, die suggereert dat een discussie over dit heikele onderwerp zinloos is, omdat het zou gaan om een tijdelijk verschijnsel dat vanzelf wel weer goed komt, en dat investeringen in pronatalistische politiek pas dan effect zouden sorteren, wanneer het niet meer nodig is, dus eigenlijk weggegooid geld zouden zijn. We gaan niet door een vergrijzingsdip maar koersen af op een structureel grijzere bevolking.

Ten slotte nog dit. In het artikel van Vollaard wordt enige malen de stijlfiguur gebruikt: ‘economen vinden...’ of ‘economen denken…’ als versteviging van de redenering. Oppervlakkig gezien wekt dit bij de lezer veel vertrouwen. Maar wie zijn die economen dan eigenlijk? Iemand die wat thuis is in de economenwereld weet dat er geldt ‘zoveel economen, zoveel zinnen’. Er zullen heus wel economen zijn die het eens zijn met het beweerde, maar er zijn er ook die er anders overdenken. Deze econoom bijvoorbeeld.

Prof.dr. B.M.S. van Praag is Universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.

Lees het artikel van Ben Vollaard na op nrc.nl/opinie

    • B.M.S. van Praag