Even buurten bij Berlage

De Beurs van Berlage in Amsterdam wordt maar matig bezocht door het publiek.

De nieuwe eigenaren willen met cafés en winkels meer mensen naar binnen lokken.

De Beurs van Berlage in Amsterdam ziet er met zijn zware muren, vele bogen en vierkante toren uit als een middeleeuwse burcht – en blijkt net zo ondoordringbaar. De schepping van de architect H.P. Berlage geldt als een uniek bouwkundig monument met zijn tegeltableaus, plafondschilderingen, natuurstenen reliëfs en houtsnijwerk. Toch is de Beurs een matig bezocht gebouw dat tobt met tekorten.

Dat moet veranderen nu de Beurs in handen is gekomen van de gemeente Amsterdam, woningcorporatie De Key en de beleggers Amvest en Rabo Bouwfonds. De nieuwe eigenaren willen het gebouw met de repetitieruimte, de tentoonstellingszaal en kantoren omtoveren tot een „overdekte marktplaats”. Dagelijks lopen ongeveer honderdduizend mensen van het Centraal Station naar de Dam. „Een flink deel van die stroom moeten we binnen kunnen halen”, zeggen directeur Erik Gerritsen en Michiel Schaap van belegger Amvest.

Het beeld dat hen voor ogen staat is dat van het Italiaanse ‘Palazzo Pubblico’, het openbare paleis. Het Palazzo Pubblico in Siena – met de vierkante hoektoren – was een eeuw terug de inspiratiebron voor Berlage bij zijn ontwerp van de toenmalige graan- en grondstoffenbeurs. De nieuwe eigenaren worden meer geïnspireerd door het Palazzo Ducale in Genua. „Daar maakt de combinatie van restaurants, cultuur en kantoren dat er veel mensen in en uit gaan en het gebouw deel van de stad is geworden”, zegt Schaap.

Hoe dat met de Beurs moet, wordt komende maanden uitgewerkt. Naast vergaderkamers, kantoren, tentoonstellingsruimten en concertzalen, komen er passende winkels, cafés en restaurants. „De Beurs wordt de plek waar mensen met elkaar eten, praten, handel drijven en van cultuur genieten”, vertelt wethouder Carolien Gehrels (deelnemingen, PvdA).

Behalve een ultieme ontmoetingsplek is de Beurs voor Gehrels ook een „metafoor” voor de samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven om de kwaliteit van de stad te verbeteren. Het stadsdeel Centrum verkocht na jaren van exploitatieverliezen voor 15 miljoen euro de Beurs aan de centrale stad. Gehrels verkocht vervolgens voor 23 miljoen euro driekwart van de aandelen aan de drie marktpartijen. De aandeelhouders willen De Beurs binnen vijf jaar rendabel maken.

De Beurs is echter ook een metafoor voor de spanningen die horen bij de commerciële exploitatie van een monumentaal gebouw in een drukke binnenstad. Tussen droom en daad liggen de beperkingen van de monumentenstatus, de verkeersstromen door de straten, de overdaad aan regels en de wildgroei van activiteiten in de omgeving.

Neem de zuidkant. Daar belemmert een terras de toch al niet ruime toegangspoorten. Natuurlijk zou de cafébaas het meubilair graag verder het plein opschuiven, maar een blauw koord geeft aan dat dit niet mag van stadsdeel Centrum. En dan het Beursplein zelf: een enorme fietsenstalling die van het drukke Damrak is afgesneden. Schaap wijst op een historische foto: „Ooit vormden Beursplein en Damrak een geheel, maar het plein is in repen gesneden door de aparte stroken voor tram, auto’s, fietsers en voetgangers.”

In het kader van het zogeheten Rode Loper-project wordt het hele gebied rond het Damrak opgeknapt. Het Beursplein wordt ook opgefrist, al was het maar omdat de nabijgelegen Bijenkorf en de effectenbeurs dat graag willen. Het zal nog jaren duren, zegt Gehrels: „Maar een café vestigen in het voormalige schipperscafé kan redelijk snel.”

De westkant, waar nu nog het kantoor van het Nederlands Philharmonisch Orkest zit, heeft nog steeds grandeur. Op de sierlijke bogen staan tegelwijsheden, de draaideur is een monumentaal beeldhouwwerk. Gerritsen: „Als je het raam opschuift, heb een verbinding met de stad.” Voor het raam staat nu echter een vrachtwagen op het trottoir, zoals zo vaak.

In de Beurs heeft Berlage alles ontworpen, tot en met de kastjes van de beurshandelaren. In de vroegere zaal van de Kamer van Koophandel ligt zelfs nog het tapijt van Berlage. „Daardoor kun je hier nog geen glas water drinken. Dat is lastig bij een vergadering”, zegt Schaap. „Het is misschien beter om hier een kopietapijt neer te leggen.” Gerritsen, meteen: „Ho, ho, denk aan Pauline Kruseman.” Kruseman is de directeur van het Amsterdams Historisch Museum, dat verantwoordelijk is voor het behoud van de inrichting. „Wij willen bij voorkeur alles in situ bewaren”, zegt Kruseman. „Maar ik zeg nooit nooit. Over een goed plan is altijd te praten.”

    • Karel Berkhout