Een Efteling, maar dan kleiner

nrc.next-redacteuren nemen de bus, trein, tram of metro. En stappen uit bij een eindhalte, ergens in Nederland.

Vandaag: Noord-Holland, op naar Enkhuizen.

Hij heet Lars, zijn moeder heeft zijn naam vandaag al veelvuldig laten vallen. Lars steekt de achterkant van een vork in een half leeggedronken flesje appelsap. „Niet doen”, zegt zijn moeder. Hij roert de vork nog eens door het sap. „Niet doen Lars.” Lars haalt de achterkant van de vork uit het flesje. Hij tikt ermee tegen het raam. „Hou eens even op.” Hij steekt de achterkant van het bestek in zijn mond. „Hou eens op, anders gaan we weg.” Daar dreigde zijn moeder eerder ook al mee.

Toen stonden ze in de rij van het zelfbedieningsrestaurant ‘de Vergulde Koekepan’. „Wil je appelsap?” „Nee, dat.” Hij wees naar een koelkast. Daar stonden ijsjes in plastic bekers in de vorm van het hoofd van cartoonfiguur Homer Simpson. Hij keek gebiologeerd naar de gele bekers. „Wil je appelsap?” „Nee, dat.” „Wil je appelsap?” „Nee, dat.” „Het is appelsap en anders gaan we weg.”

Lars en zijn moeder zijn in sprookjeswonderland. Een soort Efteling, maar dan veel kleiner en zonder wilde attracties. Het park heeft een kabouterdorp, een kinderboerderij, een speeltuin en een sprookjesbos. Het ligt aan de rand van Enkhuizen, aan het IJsselmeer. Om de hoek stopt bus 38 van Connexxion.

De vork van Lars ligt inmiddels op de grond. Hij pakt een dienblad van de tafel en loopt ermee weg. De deur door en naar buiten. „Lars, kom terug.” Lars is verdwenen.

De zoemer in de hoek van het restaurant gaat af. Op het scherm boven de keuken verschijnt digitaal nummer 47. Het kindermenu voor Lars is klaar. Op een bord ligt friet, een gele kroket met daarnaast een klodder mayonaise en een plas appelmoes. Lars komt weer binnen, zonder dienblad. Hij klimt op de plastic bank van de zithoek. Hij pakt een lange frietstengel, prikt ermee in de mayonaise en steekt het patatje in het half lege flesje appelsap. Hij laat het frietje los. De stengel zuigt zich vol met vocht. Zijn moeder zucht, grist nijdig het flesje uit zijn handen. Ze probeert met een vork de slappe stengel eruit te vissen. Zonder succes.

De entree van dit pretpark bedraagt slechts zeven euro, parkeren is gratis – en er is genoeg plek. Na het betaalhuisje loop je de bossen in, smalle geasfalteerde weggetjes leiden je langs kleine stenen huisjes met rode dakpannen. Als je bukt, kun je door de ramen naar binnen kijken. Daar staan kabouters. De poppen van piepschuim bewerkt met papier-maché en klei hebben puntige neuzen, bolle wangen en een plukje stro op hun hoofd. Sommige zijn al 35 jaar oud. Ze staan er eenzaam bij. Een enkeling maakt een eentonige geautomatiseerde beweging. Op de achtergrond klinkt vrolijke kindermuziek. Er is alleen geen kind te zien.

In een van de huisjes zit kabouter Govert met ontbloot bovenlijf in een teil met water. Hij schrobt zijn rug met een borstel. Een van zijn buren is Berend Blokschaaf, die met blauwe puntmuts en ecru pak omringd door blokken hout de dorpstimmerman moet voorstellen. En dan is er nog Saartje, die zit achter een kleine naaimachine, voor haar liggen wat spelden en naald en draad.

In de verte joelen kinderen, ze zijn er dus wel. Ik ga op het geluid af, het kabouterdorp uit, langs het sprookjesbos. De stemmen komen bij het terras van het zelfbedieningsrestaurant vandaan. Daar zitten ruim dertig kinderen in betaalbare Zweedse kinderkleding aan picknicktafels. In de ene hand een mes, in de andere een vork en met de achterkant van het bestek beuken ze op de tafel. En ze gillen erbij. Tegelijk, in een ritme: pa-tat-je, pa-tat-je, pa-tat-je. De kindjes zijn opgewonden: hun wangen zijn rood aangelopen, in de mondhoeken zit speeksel.

Steeds luider klinkt: pá-tat-je, pá-tat-je, pát-tat-je. Twee kinderen slaan met bussen poedersuiker op de tafels. Witte wolken stijgen op. Een jongetje begint te hoesten. Of hij zich verslikt in zijn enthousiasme of dat de poedersuiker op zijn longen is geslagen, is onduidelijk. „Jongens, nu is het genoeg”, schreeuwt een begeleidster van het schoolreisje. De vrouw van midden twintig in spijkerbroek lacht. Het eten laat ook wel lang op zich wachten, zegt ze tegen een collega. Een jongetje aan de tafel schudt nog eens wild met de bus poedersuiker. „Nee, Martijn ophouden nu.” Een ander kind klapt met zijn handen in de lucht in de wolken van poedersuiker. „Ja Justin, jij ook. Nu is het genoeg.”

Op het terras zitten veel ouders met kinderen en opa’s en oma’s met kleinkinderen onder parasollen. Een stevig jongetje is net uit een Bugaboo kinderwagen gestapt. Hij krijgt een bakje met chocoladeroomijs van zijn vader. Vader heeft dezelfde lekkernij. Het kind gooit zijn lepel onder de tafel. Het ijs schraapt hij met zijn vingers uit het bakje. Af en toe likt hij met zijn tong over de koude bolletjes. Zijn wangen, kin en neus plakken van zoetigheid. Zijn moeder komt met een schone lepel. Het kind begint te jammeren. „Néé. Ik doe het zo.” „Stil maar Teuntje.”

Het jongetje wandelt al etend over het terras, af en toe schopt hij tegen de rode kiezelstenen op de grond. Meer kinderen schoppen hier tegen kiezelstenen. Zo ook het jongetje achter mij. Zijn opa en oma merken het niet op, die bladeren druk door de folder van het park. Ik kijk hem aan, hij zet twee passen in mijn richting, rekt zijn nek uit, steekt zijn borst naar voren en laat een boer. Hij duikt vervolgens achter de plastic stoel van oma.

Door het park rijdt een treintje. Je kunt instappen bij een station. De machinist is er nog niet. Het voorste bakje is bezet door een opa en oma (beiden in de zestig) en twee jongetjes (jaar of zes en acht). Op de achtergrond klinkt een kinderstem uit de speakers: ‘oren, tenen en neus binnenboord, zoals het hoort’. De machinist arriveert. „Waarom kom jij nu pas?”, vraagt het jongste kind. „Ik was even iets aan het doen, jij doet toch ook wel eens iets?” De trein begint te rijden. Oma, in tijgerprintshirt en groene oogschaduw, wijst naar de dieren die we passeren. „Kijk Colin, een koe.” Colin kijkt niet. Hij is samen met zijn broertje druk met het afrukken van blaadjes van bomen en struiken.

In het park staat een bord. ‘Wie niet van een kind geniet, ziet het allermooiste niet’.