De grote kunststofcatastrofe

Plastic flessen, jerrycans en verpakkingen blijven makkelijker in de Grote Oceaan dan dat ze eruit komen. Een stroming als een grote trage draaikolk werkt als een fuik voor drijvend afval.

In de magen van de overleden albatrossen worden plastic voorwerpen gevonden.

Het was nieuws met een hoog entertainmentgehalte toen in 1992 een vrachtschip 29.000 plastic badeendjes, schildpadjes, kikkers en bevers verloor in het westelijk deel van de Grote Oceaan. Daar dreven ze met z’n allen op volle zee. Vijftien jaar later waren ze weer nieuws, toen een deel via de poolzee naar de Atlantische Oceaan was gedobberd en aanstalten maakte in Engeland aan te spoelen. Dat was grappig en de badspeeltjes leverden nuttige informatie over zeestromingen.

Maar de eendjes die land in zicht kregen mochten van geluk spreken. Als stuk plastic kom je makkelijker de oceaan in dan eruit. En dat is slecht nieuws voor mensen.

Toen zeiler en oceanograaf Charles Moore eind jaren ’90 door het noordelijke deel van de Grote Oceaan terug naar huis zeilde na een race, was hij verbijsterd over de hoeveelheid drijvend plastic die hij tegenkwam, honderden kilometers van de bewoonde wereld. „Een week lang, ongeacht de tijd van de dag, zag ik overal plastic rommel drijven: flessen, flesdoppen, verpakkingen, fragmenten.” Met de natte vinger schatte Moore de hoeveelheid plastic op een half pond per honderd vierkante meter. Dat komt neer op vier frisdrankflessen (of een stuk of vijftig doppen) per modaal achtertuintje. Dat is een hoop als je vanuit je boot kilometers oceaan ziet.

De verklaring zat in de heersende zeestromingen. Het noordelijk deel van de Grote Oceaan is een trage draaikolk met in het midden – door hoge luchtdruk – een iets verlaagd waterpeil. Het is een fuik voor drijvend afval, wat in 1988 door onderzoekers uit Alaska is voorspeld. Inmiddels heet het ‘the Great Pacific Garbage Patch’. Er drijft afval in uit Amerika, Canada, maar ook uit Japan en Indonesië.

Moore ging terug om metingen te doen en monsters te nemen. In het gebied bleek zes keer zoveel plastic in het water te zitten als zoöplankton, de basis van de voedselketen. Niet alleen ontsierende rommel als jerrycans en flessen. Niet alleen erkende, zichtbare moordenaars als ronddrijvende vislijnen en -netten. Plastic is niet afbreekbaar, maar wordt door toedoen van zonlicht bros. Het versplintert. Een belangrijk deel van het plastic zweeft rond als gekleurde confetti en wordt door waterorganismen en vogels voor voedsel aangezien.

In 2002 maakten fotografen in het team van Moore onder water foto’s van doorzichtige zeeorganismen met gekleurde stukken plastic in hun spijsverteringskanaal. Dramatischer nog zijn de lotgevallen van vogels. Op de Midway Atol sterft 40 procent van de albatroskuikens in het eerste levensjaar, de meeste van de honger - met de maag vol plastic. Legosteentjes, flesdoppen, tandenborstels, speelgoedbeesten, pennen, damstenen en sigarettenaanstekers worden in de karkassen gevonden. Volgens een schatting vissen de albatrossen van Midway per jaar vijf ton plastic voor hun jongen op. De plastic inhoud van gestorven kuikens komt opnieuw in zee terecht en kan zijn moorddadige werk nogmaals doen.

Plastic absorbeert ook kwalijke stoffen als pesticiden, pcb’s en vlamvertragers. Naarmate het in kleinere fragmenten uiteenvalt, absorbeert het veel efficiënter de afvalstoffen. De aldus ‘verrijkte’ stukjes plastic komen in de voedselketen terecht, uiteindelijk in vis.

Niemand weet wat je hiertegen kunt doen, behalve de aanvoer van rotzooi staken. Opruimen is onbegonnen werk. Daarbij speelt het probleem in internationale wateren. De kraan blijft open en gedweild wordt er niet.

Is het niet ver van ons bed? Wat kan ons de voedselketen in een uithoek van de Grote Oceaan schelen? Misschien is het niet zo ver weg als het lijkt. Ook de Atlantische Oceaan heeft stromingen die afval vangen. Volgens Brits onderzoek uit 2004 hebben sommige afgelegen eilanden in de Atlantische Oceaan evenveel troep op hun stranden als geïndustrialiseerde landen. Wat aanspoelt kun je nog opruimen – al gebeurt het meestal niet – maar het is een symptoom van een veel griezeliger, onzichtbaar probleem. Zo bekeken zijn die badeendjes een stuk minder grappig.

    • Herbert Blankesteijn