China: elf doden na aanslagen

Han-Chinese overheidgebouwen en bedrijven in de westelijke provincie Xinjiang waren zondag doelwitten van in totaal twaalf aanslagen met eenvoudige pijpbommen en granaten. Volgens de Chinese politie zijn bij het geweld tien Oeigoerse militanten en een bewaker gedood. Twee politiemannen en enkele burgers in de plaats Kuqa raakten gewond.

Of de nieuwe aanvallen, een week geleden werden zestien Chinese paramilitairen in Xinjiang gedood, zijn gepleegd door de Oost-Turkestan Islamitische Beweging (ETIM), de Turkestan Islamitische Partij of een andere groepering is niet duidelijk. De Turkestan Islamitische Partij claimde vorig week de aanslag, maar is vermoedelijk een andere naam voor de eerstgenoemde beweging.

De ETIM staat op de lijsten van terroristische organisaties van Amerika en de VN en zou ook verantwoordelijk zijn voor eerdere aanslagen op bussen in de hoofdstad Kunming van de provincie Yunnan.

De aanslagen zondag in Kuqa vonden plaats kort na de opening van de Olympische Spelen in het op 2.800 kilometer oostelijk gelegen Peking, waar van de incidenten niets te merken was. Doelwitten waren een politiebureau, een bank, een schoenenwinkel en een winkelcentrum.

Kuqa ligt in een dunbevolkt woestijndistrict met 400.000 inwoners en is omgeven met gas- en oliewinningsinstallaties. Getuigen vertelden na de explosies geruime tijd het geluid van machinegeweren te hebben gehoord, wat overeenkomt met de officiële verklaring van de Chinese regering.

De oorspronkelijke bevolking van Xinjiang is grotendeels Oeigoers, een Turkse minderheid. Zij streven al decennialang naar onafhankelijkheid. Volgens Dilxadi Rexiti van een Turkestans informatiecentrum in Berlijn zijn Oeigoeren geen terroristen, maar voelen zij zich onderdrukt door de Chinese politie en het leger.