WTO heeft een deuk opgelopen, helaas

De WTO is geen organisatie die ontwikkelingslanden uitsluit van handel. Wie dat zegt, heeft niet begrepen wat er de afgelopen handelsronde is gebeurd, zegt E.P. Wellenstein.

Jammer, die verdienstelijke maar mislukte poging van deze krant om, naast het eigen hoofdredactionele commentaar op het vastlopen van de handelsonderhandelingen in Genève een blik op dit gebeuren vanuit een niet-westers gezichtspunt te willen geven (Opiniepagina, 31 juli). Men had beter te rade kunnen gaan bij een deskundige uit Thailand, Maleisië of Uruguay dan bij Myriam Vander Stichele.

De schrijfster stelt ten onrechte, dat de Wereldhandelsorganisatie „een markt op wereldschaal” creëert, en dat consensus er wordt afgedwongen door uitsluiting. Ook is het niet zo, dat de WTO-regels met sancties nationaal én internationaal beleid onderwerpen aan vrijhandel, alsmede aan de bedrijfsbelangen van rijke landen. Zonder bedrijfsbelangen zou er overigens geen bloeiende internationale handel zijn, geen Chinese, geen Braziliaanse en geen van de rijke landen.

De WTO kan echter helemaal geen ‘vrijhandel’ opleggen. zij behelst slechts onderling overeengekomen verkeersregels tussen staten inzake handelsverkeer en -bescherming. De belangrijkste is dezelfde als artikel 1 van onze Grondwet: non-discriminatie, maar dan op handelspolitiek gebied.

De lidstaten beslissen zelf over hun douanerechten, maar die gelden dan voor alle partners, groot én klein, ook als zij die in een onderhandeling met een andere partner verlagen. Maar als zij die zo afgesproken (geconsolideerde) rechten toch overschrijden, hebben alle partners, naar gelang van hun belang daarbij, recht op compensatie bij andere producten (doch niet op terugdraaien van de verhoging). Niemand is gedwongen om tot de WTO toe te treden, maar niet toetreden is geen juridische aanspraak maken op deze ‘meestbegunstiging’.

Een generatie geleden speelden handelsrondes zich nog hoofdzakelijk tussen de VS en Europa af, later uitgebreid met Canada en Japan. Niet omdat andere landen van dat proces waren uitgesloten, maar omdat zij zich afzijdig hielden; als zij lid waren, vielen de tariefreducties tussen de ‘groten’ hun toch ten deel, ook als zij zelf er niet toe bijdroegen. Dat moedigde veel ‘derdewereldlanden’ aan om lid te worden van het toenmalige ‘GATT’ (nu de WTO); in 2001 nog China, thans met India en Brazilië één van de zeven ‘spelbepalers’.

Vander Stichele ziet de WTO daarentegen als een instrument van geïndustrialiseerde landen om ontwikkelingslanden te beletten zich te beschermen en zo hun economie te laten groeien. Nu, ten aanzien van China is die opzet dan wel deerlijk mislukt! En in de Doha-ronde hebben de VS en de EU trouwens géén ontmanteling van de tarieven van opkomende landen als Brazilië en India nagestreefd, maar slechts consolidatie op het nu door die landen zelf gekozen niveau.

Bij de Europese en Amerikaanse landbouwsubsidies ging het wel degelijk om verlaging van importtarieven; maar ook om consolidatie van het globale subsidieplafond op een lager niveau dan het nu gehanteerde.

Hoe dat voor de zeer omstreden, met name Amerikaanse, katoensubsidies zou hebben uitgepakt blijft nu een open vraag. Doch katoen blijft wel op de WTO-agenda, want Brazilië heeft met een klacht daarover van de WTO gelijk gekregen; dat loopt naast de Doha-ronde, en veel ontwikkelingslanden, ook Afrikaanse, hebben daar groot belang bij.

Opmerkelijk is, dat het echec in Genève niet uit al het voorgaande voort is gekomen, al beweren boze tongen, dat sommigen dat echec een opluchting vonden.... India, gesteund door China, zette de VS onverhoeds voor het blok door extra, bovenop de daarvoor al geldende regelingen, vaag afgebakende beschermingsmaatregelen te eisen, in geval van snel stijgende importen van voedselgewassen.

Leveranciers van deze zogeheten ‘commodities’ zijn, naast de VS, Canada en Australië, ook ontwikkelingslanden als Thailand en Maleisië, alsmede onder meer Uruguay, Paraguay en Brazilië zelf, één van de drie nieuwe ‘spelbepalers’. Europa hoort daar niet bij, dat handelt voornamelijk in verwerkte landbouwproducten. De nieuwe eisen werden door de VS direct afgewezen, zonder verdere poging tot onderhandeling daarover, al lopen de belangen dwars door de verschillende groepen landen heen.

Het is moeilijk hierin een bij voorbaat onvermijdbare mislukking te zien. Het is nog moeilijker er met Vander Stichele een kranige reddingsactie voor kleine boeren in niet-westerse landen in te zien, zeker bij de huidige zeer hoge prijzen van ‘commodities’. Het heeft meer van uit de hand gelopen blufpoker, met als onvermijdelijk gevolg een deuk in het prestige en het gezag van de WTO met haar evenwichtige regels en uniek mechanisme om geschillen te beslechten.

E.P. Wellenstein is oud-directeur-generaal bij de Euopese Gemeenschappen.