Wonen in het grote plaatje

In de westelijke tuinsteden in Amsterdam worden woningen gesloopt voor nieuwbouw. Doel: gemengde woonwijken. Bewoners zijn tevreden, maar de middenklasse ontbreekt nog. „De sociale kant kun je veel minder goed sturen.”

Waar een paar jaar geleden in Amsterdam-Nieuw-West nog het Eendrachtspark begon, staat nu een enorme zwart-witte doos, met modieuze, grote gaten. ‘Parkrand’ is de toepasselijke naam voor dit nieuwe, door architectenbureau MVRDV ontworpen appartementencomplex met koop- en dure huurwoningen. Met zijn vele balkons met glimmende glazen balustrades staat de reus te stralen tegenover de haveloze sociale huurdwergen uit de jaren vijftig aan de overzijde van de straat.

Parkrand is slechts een van de vele nieuwe gebouwen die de laatste jaren in Amsterdamse westelijke tuinsteden zijn gebouwd. In Amsterdam-Nieuw-West is een kolossale operatie aan de gang. Al jarenlang. Overal wordt gesloopt en gebouwd. Meer dan 13.000 woningen zijn al of gaan nog tegen de vlakte. Ruim 24.000 nieuwe woningen komen er voor terug, voor de helft koop. Ex-Amsterdammers die een jaar of twintig geleden de westelijke tuinsteden hebben verruild voor Purmerend of Almere, zullen hun oude stadsdeel nu nauwelijks herkennen.

Begin jaren negentig werden de eerste plannen voor de grootscheepse ‘stedelijke vernieuwing’ in de westelijke tuinsteden van Amsterdam gemaakt (zie inzet). Pas in 2015 of nog later moet ‘het grootste stedelijke-vernieuwingsproject in Europa’ zijn voltooid. Maar de eerste nieuwe woningen in de stadsdelen Geuzenveld-Slotermeer, Osdorp, Slotervaart en Bos en Lommer staan er alweer een jaar of tien. Lang genoeg om de vraag te stellen of de stedelijke vernieuwing werkt. Lukt het om van Amsterdam-Nieuw-West, dat als geheel op de lijst van veertig Vogelaarwijken staat, prachtwijken te maken? Trekken de vernieuwde westelijke tuinsteden weer de ‘middenklasse’ aan? Is een samenleving maakbaar?

Maar eerst: waarom moesten de westelijke tuinsteden nog geen halve eeuw na hun ontstaan zo rigoureus worden verbouwd? Wat ging er mis in de stad van de toekomst van de beroemde stedenbouwer Cornelis van Eesteren?

Spiraal omlaag

Licht, lucht en ruimte – dat was het idee toen de westelijke tuinsteden vijftig jaar geleden werden ontworpen, zegt Jacques Thielen. Hij is directeur van Far West, een consortium van Amsterdamse woningbouwverenigingen dat actief is in de westelijke tuinsteden. De eerste decennia waren het geliefde woonwijken, zegt hij. Maar eind jaren tachtig waren ze dat niet meer. Per jaar vertrok toen 20 procent van de bewoners van Amsterdam-Nieuw-West naar Almere, Purmerend en dergelijke steden. „Dat was veel meer dan gemiddeld in Amsterdam”, zegt Thielen. „Hun plaats werd meestal ingenomen door allochtonen met aanzienlijk minder kansen dan de vertrekkers.” Zo dreigden de westelijke tuinsteden in een neerwaartse spiraal terecht te komen. „Als we niet oppassen, glijden de tuinsteden af tot nare buurten met veel kansarmen”, stelden de corporaties en de deelgemeentes toen vast.

Waarom vertrokken de bewoners, wilden de stadsdelen en woningcorporaties weten. Er waren verschillende redenen, zegt Thielen nu. Allereerst waren veel woningen versleten. Daarnaast was het woningaanbod eenzijdig. „Grote delen van de westelijke tuinsteden bestaan uit kleine portieketagewoningen in de sociale huursector.” En de grote, open ruimtes die Van Eesteren en zijn ontwerpers zo belangrijk vonden, hadden hun kracht verloren. Zorgden ze vijftig jaar geleden voor een gevoel van vrijheid, begin jaren negentig gaven ze de bewoners een gevoel van onveiligheid. Soms waren er ook uitingen van onvrede in de westelijke tuinsteden, zegt Thielen. Hij noemt de rellen van allochtone jongens op het August Allebéplein in Slotervaart, in 1998.

De westelijke tuinsteden moesten worden vernieuwd. De versleten sociale-huurwoningen moesten worden vervangen door nieuwe, betere woningen, voor de helft koop. Hierdoor zouden de wijken weer aantrekkelijk worden voor de middenklasse en konden bewoners die toe waren aan een grotere woning in de tuinsteden blijven wonen. „Doel van de stedelijke vernieuwing was het vergroten van de diversiteit van het woningaanbod in Nieuw-West”, legt Thielen uit. „In de oorspronkelijke plannen voor de vernieuwing bestonden er negen of tien woonmilieus, variërend van vrijstaande huizen tot appartementen in hoogbouw. Deze plannen zijn later bijgesteld en vereenvoudigd.” Nu kent het ontwerp grofweg drie categorieën: hoogbouw, rijtjeshuizen en iets er tussenin.

Niet alle bewoners van de westelijke tuinsteden zijn blij met de sloop van hun woningen. Vorig jaar protesteerden bewoners van het Delflandplein. Hun flatgebouw moest plat. Zij begrepen er niks van. Ze woonden er heerlijk, vaak al jaren. Met de woningen was volgens hen niets mis. Ze richtten een vereniging op, namen een architect in de arm en lieten hem een plan maken om te renoveren in plaats van slopen. Maar het hielp niet.

Ook architectuurhistorici hebben kritiek op de drastische vernieuwing. Door de sloop verdwijnt veel waardevol architectuurhistorisch erfgoed uit de wederopbouwtijd, vinden zij. Volgens André Thomsen, hoogleraar Woningverbetering en Woningbeheer aan de Technische Universiteit in Delft, is sloop bovendien technisch gezien vaak onnodig. Hij vindt dat er nu goede woningen worden gesloopt die beter en gemakkelijker hadden kunnen worden gerenoveerd.

Rogier Noyon, directeur van de Amsterdamse woningbouwvereniging Het Oosten, bestrijdt dit. Hij publiceerde onlangs het boek Het Oude en het Nieuwe Bouwen, waarin hij uitlegt waarom er nu zo veel wordt gesloopt in de westelijke tuinsteden en andere wederopbouwwijken. „Bij de woningen in de naoorlogse wijken wreekt zich het functionalisme van de ontwerpers”, legt hij uit in het kantoor van Het Oosten in Amsterdam. „De meeste woningen zijn heel precies toegesneden op het kerngezin, dat wil zeggen zo’n 55 vierkante meter met drie slaapkamers. Dat heeft hokkerige woningen opgeleverd. Dat was vroeger niet erg, maar nu wel. Voor grote, veelal allochtone gezinnen zijn ze te klein.”

Maar ook voor starters en tweeverdieners zijn deze woningen niet geschikt, zegt Noyon. Die willen grote, open ruimtes. En dat kan niet, legt hij uit. De binnenmuren zijn vaak dragend en van beton. Die kun je niet zomaar wegslaan om grotere kamers te maken, zoals dat bij de woningen in de 19de-eeuwse buurten wel kan. „Die zijn nog gebouwd volgens het oude Amsterdamse systeem, waarbij een huis bestaat uit twee steunende buitenmuren en balkenlagen. Die staan een flexibel gebruik toe.”

Daarom is het aanpassen van de naoorlogse woningen aan de huidige woonwensen net zo duur als sloop en nieuwbouw, of zelfs duurder. Alle mogelijke renovaties zijn volgens Noyon onderzocht. Maar de uitkomst was steeds dezelfde: te duur. En omdat de naoorlogse woningen ook in esthetisch opzicht op weinig waardering konden rekenen, bleef er volgens hem maar één oplossing over: sloop en nieuwbouw.

Directeur Thielen van Far West begrijpt het verzet van sommige bewoners wel. Het is „individueel leed” tegenover het „grote plaatje”. En je moet het volgens hem wel groot aanpakken. „Je kunt niet een heel gebied aanpakken, op die ene goede flat na. Dan gaat de samenhang tussen de nieuwbouw verloren.” En gezien de grote hoeveelheid woningen die tegen de vlakte gaat, vindt hij het verzet nog wel meevallen. Hij krijgt nu zelfs vragen van bewoners wanneer hun buurt eindelijk aan de beurt is.

Piet Dikken werd in 2002 wethouder Economische Zaken namens de PvdA in het stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer. Veel bewoners die tegen de stadsvernieuwing waren, kwamen bij hem langs. Dat waren vooral autochtone bewoners, vertelt hij in zijn kantoor. Hij begrijpt ook waarom ze tegen waren. De plannen waren in het begin nog vaag. En het vooruitzicht dat je woning gesloopt wordt, vindt niemand prettig, zegt hij. „Toen de plannen concreter werden en duidelijk werd dat er echt mooie, nieuwe woningen voor terugkomen, verdween het verzet.”

Dat bleek volgens wethouder Dikken een paar jaar geleden bij de oplevering van de nieuwe brede school Het Koggeschip in Geuzenveld. Het was niet alleen een school. Het complex omvat ook sportzalen, een theater en wijkvoorzieningen. „Toen werd iedereen duidelijk dat stedelijke vernieuwing niet bestaat uit mooie dingen voor de rijken, maar voor de buurt is. De stedelijke vernieuwing wordt nu gedragen door alle politieke partijen.”

Verkrot

En dus gaat het nu snel met de stedelijke vernieuwing. Dat is prettig voor lokale bestuurders, zegt Sako Musterd. Hij is hoogleraar sociale geografie aan de Universiteit van Amsterdam en doet onderzoek naar stedelijke vernieuwing. Door de ‘fysieke aanpak’ kunnen bestuurders resultaten laten zien, legt hij uit. „Kijk, kun je dan zeggen, er wordt gesloopt en gebouwd.”

Op wijkniveau helpt het ook, zegt Musterd. Want als je een hele wijk sloopt en vervangt door koopwoningen, krijg je een andere wijk. Maar de problemen die er waren, steken dan volgens hem ergens anders weer de kop op. „Een criminele jongere wordt niet minder crimineel door zijn woning te slopen.”

De fysieke aanpak van probleemwijken komt voort uit de stadsvernieuwing van de 19de-eeuwse wijken in de jaren zeventig en tachtig, de tijd van Jan Schaefers ‘In gelul kun je niet wonen’. Toen was de legitimatie van de sloop dat de woningen verkrot waren. Terecht, zegt Musterd. Maar dat fysieke denken is blijven bestaan, zegt hij. „Terwijl de problemen nu sociaal zijn.”

Volgens Musterd vinden veel bestuurders van stadsdelen en woningcorporaties het ook een probleem als een wijk een heel groot aantal allochtonen heeft. Al zeggen ze dat niet. Toch hebben ze de stille, onuitgesproken hoop, zegt hij, dat stedelijke vernieuwing ook de autochtone middenklasse terug naar de westelijke tuinsteden brengt. „Je ziet vaak dat het wel of niet bestaan van probleemwijken wordt gekoppeld aan de hoogte van het aantal allochtonen.” Maar dat doet volgens Musterd geen recht aan „de diversiteit van de allochtone bevolking”. Het leidt volgens hem tot stigmatisering van de wijken en hun bewoners. „En dat heeft gevolgen voor bijvoorbeeld de waarde van de woningen daar.”

Etniciteit

Mehmet Cakir zit in de snackbar van zijn neef aan de winkelstraat Tussenmeer in het stadsdeel Osdorp. „Ik ben een Nederlander”, zegt hij. „Een Turkse Nederlander en een Amsterdammer. Ik wil nergens anders wonen dan in Amsterdam.” Cakir (39) is een typische hedendaagse bewoner van de westelijke tuinsteden. In 1983 kwam hij vanuit Turkije naar Nederland. Na een paar jaar in de Kinkerbuurt in Amsterdam Oud-West te hebben gewoond, verhuisde hij naar Geuzenveld. Zijn moeder woont nog steeds in Geuzenveld. Hij zelf kocht zes jaar geleden een woning aan de Sloterplas in Osdorp. Een half jaar geleden verkocht hij die woning wegens de scheiding van zijn vrouw. Per 1 september gaat Cakir, die bij een leverancier van horeca-apparatuur werkt, naar een nieuwe huurwoning in Osdorp. Hier gaat hij het opnieuw proberen met zijn ex-vrouw.

Als het aan Cakir ligt, speelt etniciteit juist wél een rol bij de stedelijke vernieuwing. „Ik ga naar een buurt met weinig allochtonen”, zegt hij. „En daar ben ik blij om.” In zijn nieuwe buurt staan vooral huurwoningen in de vrije sector. Die kunnen de meeste allochtonen volgens hem niet betalen. „Maar mijn vrouw en ik werken allebei.” Hij vindt het maar niks als veel allochtonen bij elkaar zitten. Dat geeft problemen.

Samenleving vindt Cakir een mooi woord. „Maar wat mij betreft betekent het dat allochtonen en autochtonen ook echt samenleven. Dat allochtone en autochtone kinderen met elkaar naar school gaan, dat is belangrijk. Een echte samenleving – daar zou het bij de vernieuwing om moeten gaan.” Hoe je dat voor elkaar krijgt ? Dat weet hij ook niet.

In ieder geval heeft de stedelijke vernieuwing Cakirs ideale samenleving tot nu toe niet dichterbij gebracht, zo blijkt uit de statistieken. De uittocht van autochtonen uit de westelijke tuinsteden is de laatste jaren niet gestopt (zie tabel 1). Volgens Jeroen Slot, directeur van de Dienst Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam, zal dat ook niet gebeuren en komt er een tweedeling in Amsterdam: wijken als Geuzenveld-Slotermeer, ten westen van de ringweg A10, hebben in 2030 een bevolking die voor 80 procent bestaat uit niet-westerse allochtonen. Terwijl binnen de ring dan relatief weinig allochtonen wonen. „De tweedeling is er eigenlijk al, en die krijg je niet weg”, zegt Slot in zijn kantoor aan de Weesperstraat. „Integendeel, de kloof wordt groter. De ring is morfologisch, fysiek en psychisch een barrière.” Die barrière wordt volgens hem nog versterkt doordat de eerste bebouwing buiten de ring vaak bestaat uit bijvoorbeeld ziekenhuizen, kantoren en sportvelden en zo een soort vage overgangszone vormt. „Van essentieel belang voor de stad is dat die barrière verdwijnt. Als het grote geld erachter zit, zoals bij de Zuidas, zie je dat die barrière wordt geslecht door een overbouwing van de snelweg. Maar ik betwijfel of het in de westelijke tuinsteden ook gebeurt.”

Jacques Thielen van Far West daarentegen weet het zeker: de ring vervaagt en verdampt. „Mensen zien dat de gunstige prijs-kwaliteit-verhouding van woningen in de westelijke tuinsteden opweegt tegen het wonen binnen de ring, dichtbij het centrum”, zegt hij. En de integratie van allochtonen en autochtonen? Daar gaat het volgens hem helemaal niet meer om. „Stedelijke vernieuwing is voor de mensen die hier wonen. Het gaat erom dat jongeren met een goede opleiding en baan en mensen wie het sociaal-economisch beter gaat, in de wijk

blijven. Heel belangrijk hiervoor is de publieke ruimte. Een armoedige publieke ruimte is slecht voor het zelfbeeld van de bewoners.”

Ook voor Piet Dikken hoeven de westelijke tuinsteden niet witter te worden. „Wat mij betreft heeft de stedelijke vernieuwing helemaal niets te maken met etniciteit”, zegt de wethouder van Geuzenveld-Slotermeer. Volgens hem gaat het om een evenwichtige wijk waar niet alleen de minima wonen, maar ook middenklassers, en ook mensen met hogere inkomens. „Hun aanwezigheid is ook belangrijk voor het draagvlak voor allerlei voorzieningen.”

Sako Musterd betwijfelt of menging van verschillende inkomensgroepen wel leidt tot een betere wijk. „Het idee dat menging goed is, wordt door de hele Tweede Kamer gedragen”, zegt hij. „Er zou een heilzaam effect van uitgaan op individuen met een laag inkomen.” Drie effecten worden volgens hem altijd genoemd. In de eerste plaats zou menging voorkomen dat de wijk wordt gestigmatiseerd als probleemwijk, met alle vervelende gevolgen van dien voor de bewoners. Ten tweede zou een gemengde wijk leiden tot het idee onder de bewoners dat het beter kan: bewoners met lage inkomens zien dat het mogelijk is om vooruit te komen. En ten derde is de veronderstelling dat in gemengde wijken sociale netwerken ontstaan. Dan kunnen bewoners met een sterke positie de minder sterken bijvoorbeeld helpen met het schrijven van sollicitatiebrieven.

Maar onderzoek naar de effecten van gemengde wijken laat zien dat de vooruitgang in inkomens van de bewoners heel gering is, zegt Musterd (zie tabel 2). Dat komt mede doordat de nieuwe, duurdere koopwoningen vaak enclaves als Parkrand vormen in de vernieuwingswijken, zodat er weinig contact tussen de oude en nieuwe bewoners ontstaat. „Bovendien zijn zelfs de armste wijken in Nederland al redelijk gemengd en hebben de bewoners met lage inkomens nog aansluiting met de middenklasse. De roep om menging van wijken is een roep om iets wat al bestaat.” Weet je wat verreweg de belangrijkste factor voor de hoogte van het inkomen is? vraagt hij. „Opleidingsniveau. Het is dan ook veel verstandiger geld aan onderwijs te besteden dan aan stedelijke vernieuwing.”

Thielen geeft toe dat er in de westelijke tuinsteden als geheel nog wel een middenklasse bestaat. „In Nieuw-Sloten heb je wel een middenklasse, ja”, zegt hij. Maar in grote delen van de wijken, zoals Overtoomse Veld, is die volgens hem helemaal afwezig. „En in buurten als de Piet-Mondriaan-buurt zijn er heel weinig dingen waar de boze, ontevreden jongens die het thuis toch al niet fijn hebben, hoop uit kunnen putten. Als daar middenklassers à la Marcouch komen wonen, dan moet dat toch zijn invloed hebben.”

Het is moeilijk, zegt hij. ‘Fysiek’ gaat het wel goed met de stedelijke vernieuwing. Want woningen kun je sturen. „Maar de sociale kant kun je veel minder goed sturen. Daar hebben de stadsdelen ook te weinig geld voor.” Het sociale beleid noemt hij versnipperd en zonder duidelijk doel. „Veel te veel verschillende hulpverleners. Er zijn hier gezinnen waarmee zich negentien hulpverleners bemoeien, en uiteindelijk is het dan toch de burgemeester die moet ingrijpen.”

Het beleid zou zich moeten concentreren op twee zaken: goede scholing en ‘arbeidstoeleiding.’ Scholing en werk, daar gaat het om. „Het is te gek voor woorden dat 23 procent van de leerlingen in dit stadsdeel de Cito-toets niet maakt.” Toch is hij optimistisch over de stedelijke vernieuwing. „Ik ben er zeker van dat het uiteindelijk ook sociaal-economisch goed zal gaan.”

Wethouder Dikken ziet ook een zonnige toekomst voor zijn stadsdeel. Hij wijst erop dat de werkloosheid in zijn stadsdeel spectaculair is gedaald, van 13,7 procent in 2006 naar 9,8 procent in 2007. „In vorige periodes van hoogconjunctuur was dat veel minder”, zegt hij. „Je ziet dat bewoners van de westelijke tuinsteden nu beter aanpikken bij de groei.”

Bovendien is stedelijke vernieuwing veel meer dan slopen en bouwen. „Stedelijke vernieuwing is ook bewoners de kans geven om mee te doen in maatschappij”, zegt Dikken. „Veel allochtonen van de oude generatie beheersen de taal nog steeds onvoldoende, vrouwen zitten nog veel te veel thuis. Dat betekent niet dat ze allemaal moeten gaan werken, maar ze moeten wel de deur uit, naar de scholen van hun kinderen, samen met andere vrouwen activiteiten ondernemen.” Zijn stadsdeel geeft fietscursussen aan allochtone vrouwen. Niet om per se te leren fietsen, maar om sociale contacten te maken en met elkaar te praten. „Zo komen ze erachter dat ze niet de enigen zijn die met bepaalde problemen worstelen. En dat ze meer kunnen en willen.” Sommige vrouwen willen bijvoorbeeld wel een opleiding om te leren toezicht te houden in speeltuinen, zegt hij. „Daar zijn vrouwen echt enthousiast over, daar zijn ze trots op. Maar er valt nog veel te doen. We richten ons nu ook op vroegtijdige schoolverlaters en op de kloof tussen wat het bedrijfsleven wil en de scholen bieden.”

Tevreden bewoners

Een paar maanden geleden werd wethouder Dikken gesterkt in zijn geloof in de stedelijke vernieuwing van zijn stadsdeel. Toen verscheen Wonen in Amsterdam 2007, het onderzoek van de Amsterdamse Dienst Wonen en Amsterdamse Federatie voor Woningcorporaties naar de mate van tevredenheid van Amsterdammers over hun stadsdelen. Dat zag er goed uit, zegt hij.

De conclusie van het rapport was dat de stedelijke vernieuwing werkt, niet alleen in de westelijke tuinsteden, maar ook in andere Amsterdamse Vogelaarwijken (zie tabel 3). Maar het werkt wel heel langzaam: eentiende punt meer tevredenheid op een schaal van een tot tien in twee jaar, is niet veel, geeft hij toe. Het gaat langzamer dan hij had gehoopt en verwacht. „Herhuisvesting van bewoners blijft een moeilijk punt en levert vertragingen op. Maar dat stedelijke vernieuwing werkt, staat vast. Je ziet bijvoorbeeld dat de tevredenheid van de bewoners in Geuzenveld groter is dan in Slotermeer. In Geuzenveld is de stedelijke vernieuwing dan ook verder gevorderd dan in Slotermeer.”

Far West-directeur Thielen wijt de trage stedelijke vernieuwing ook aan de bouw. „Het is heel raar: de bouwtechniek schrijdt voort, maar de bouw duurt steeds langer”, zegt hij. „In de jaren dertig kostte het drie jaar om het Empire State Building in New York te bouwen, maar zoiets zouden we in het huidige Nederland niet voor elkaar krijgen.” Vooral de logistiek is heel ingewikkeld, weet Thielen. Soms hoort hij de gekste dingen. Dat de ene etage niet op de andere past, bijvoorbeeld. „Bouwkosten stijgen ook heel snel, mede door het gebrek aan bouwvakkers. Toch verwacht ik dat we in 2008 achthonderd nieuwe woningen bouwen, tegen vijfhonderd in 2007.”

Dikken voorspelt dan ook dat de westelijke tuinsteden in 2020 een levendig stuk Amsterdam zijn. „Ik weet zeker dat er over tien, vijftien jaar hier meer reuring is, meer horeca, meer creatieve ondernemingen.” De Pijp of de binnenstad zal het nooit worden. Dat weet hij ook wel. De westelijke tuinsteden behouden hun eigen karakter, passend bij de ideeën van Van Eesteren. Groen, ruim en rustig. Dat moet je ook niet te veel veranderen, zegt Dikken. „Mensen die hier zijn opgegroeid, willen hier blijven wonen, omdat het er groen en rustig is. En omdat je in no time in de binnenstad zit.”

Ook Cakir gelooft in de toekomst van Osdorp. „Over tien jaar is Osdorp geen dorp meer, maar een stad, met grote en kleine winkelstraten”, zegt hij. „Dan hoef je voor gezelligheid niet eens meer naar de binnenstad.”

    • Bernard Hulsman
    • Tom Kreling