Vakantiehersens

Veel Nederlandse toeristen zoeken in deze vakantieperiode hun vertier en ontspanning in landen rond de Middellandse Zee. Daar kan men wel eens op bijzondere gedachten komen.

Vakantiehersens Illustratie Sieb Posthuma Fokkema, Frouke

Op de foto pronkt trots een driemaster, zeilend over de Griekse zee. Er valt niets verrukkelijkers te bedenken.

In Athinios op het eiland Santorini gaan we aan boord van het zeilschip om de omliggende vulkanische eilanden te bezichtigen. Het schip vaart kalm op zijn motor, zodat zo’n honderd toeristen op hun gemak de witte huisjes bovenop de oeroude lavastenen kunnen zien. Een doods eiland was door de mens tot leven gewekt. Op het heetst van de dag worden we uitgeladen bij een steiger van het vulkanische eiland Nea Kameni.

We krijgen drie kwartier: eerst een half uur door de hitte banjeren om daarna een verfrissende duik in zee te nemen. Voor twee euro entree stappen wij als kuddedieren in marstempo over de gloeiende zwarte vulkanische stenen.

Ieder zijn rugzakje. De Japanners voorop met een paraplu tegen de zon, gevolgd door Engelse tattoos. De jonge meisjes giechelen met flirtende Italianen. Een paar somber kijkende Russen zeulen er achteraan. Zelfs op zwarte lavasteen moet ieder zich streng aan de verkeersregels houden. We volgden de pijltjes. Boven op de berg kijken we met z’n allen over de rand van een diepe krater. Een toerist verliest haar rode hoed in een soort Mesdagmuseum, waar afstand bedriegt.

Wat wezenloos in gedachten verzonken, filosofeer ik over het feit dat mensen elkaar zomaar volgen. Een ernstig fenomeen. Steen is steen. Ik herken niet de kleine letters op de verkeersborden in de richting A en B. Daal af en kom uit bij een andere aanlegsteiger.

Onder de felle zon breekt het zweet me uit. Een Grieks meisje, gewend aan dom toerisme, wil me de weg wel wijzen. Weer twee euro. Ja, een kudde volgen heeft dus zin. De gezagvoerder, een Griekse God met zwarte krullen kijkt me meelijwekkend aan, als ik uitgeput de loopplank betreed. Wat een stuk! Ik verlang meteen naar de rol van Shirley uit de film Shirley Valentine. De Griekse goden zijn niet voor niets tijdloos. Eenmaal terug neemt iedereen een verfrissende duik in het zeewater. De helpende Griekse bemanning verlekkert zich aan de jonge meisjes in tanga’s, de zilveren ringetjes afgezet in getatoeëerde navels. Vervolgens gaat de driemaster naar het eiland Thirasia en legt aan in een provisorisch haventje. Nu kan er pas goed aan ons worden verdiend. Wij krijgen ruimschoots de tijd. We struinen langs vitrines met een groot assortiment aan exotisch zeebanket. Thuis in het oververzadigde vleesland Holland eet ik liever een onsje leugen. Daarbij getraind als stadsmens let je alleen op einddatum, vet en koolhydraten. Hier liggen de vitrines vol uitgestalde waarheid. Veel restaurants maken reclame met kleurrijke plaatjes van vissen, sterk afgeprijsd. Ik had in Perissa, het dorp waar ik verblijf, een inktvis besteld. Ik kauwde stug door op een plastic rozeachtig gegrild lijf, en liet uit beleefdheid zijn acht pootjes als garnituur liggen. Gebiologeerd kijk ik nu naar een reuzenoctopus, gevangen in een diep bord. Het glibberige, spierwitte lijf wordt door acht poten keurig omlijst. Precies in het midden bekijk ik één glanzend zwart oog. Er was zonder meer oogcontact. Een Griekse serveerster met staalblauwe ogen, verwelkomt mij. „You like fresh Octopus?”

Ze denkt dat ik gewoon verlekkerd bij de vitrine blijf staan, ofschoon het gewoon een shock is.

„Do sit down.”

Naïef vraag ik of fresh levend betekende. Vers herhaalde ze, terwijl dat ene oog mij iets wil meedelen. Wezenloos stap ik verder. Terwijl ik een duik neem om af te kicken, stel ik me voor dat ik de octopus, oftewel zeekat, heb gered. Ik ga haar kopen en breng haar terug naar haar huis: de zee. Ik zwem onder water met mijn ogen dicht, steeds met dat ene zwarte oog plakkend op mijn netvlies. Ik laat me opdrogen in de brandende zon en word op de gloeiende lavastenen in tien minuten gegrild. Ondanks factor 50 blijf ik net zo wit als de octopus. Ik filosofeer met mijn vakantiehersens verder. Het lijkt net of één oog meer zegt dan twee. Of was het misschien zijn sepiaoog, een opdrogend inktpotje? Ik kleed me aan, haast me naar het restaurant met het plan de octopus te gaan redden. Ik kijk in de vitrine. Het bord is weg! Was de inktvis, zolang uit het zicht gehaald om een hysterische toerist te ontzien? En zie ik het nu goed dat acht vakantiegangers van ons schip genieten van een gegrilleerde sepia officinalis. Daarmee is zijn lijden tenminste bekort. Nu realiseer ik me wat het oog wilde zeggen: in het land der blinden is één oog koning.

    • Frouke Fokkema